grissend en vangend gereikt, lachende mond en oogen en lichaam voor hèm... Flitsen waren door zijn drankver-scheemerd denken gegaan — het was nog nooit geweest, maar nu, nu was het er — heelemaal, alles en alles — flitsen van: hier was het hoogste, kroppingen van geluk
— en grijpen wou hij — en tasten en woelen en drinken, gulzig en gek ... een hoog hemelhoog-klaterschallend hartstochtlied wou hij zingen laten aan zijn lijf. Zóo was het even, bij den wilden weeldegreep — op den drempel van zijn donkeren denkhal, grijslichtend langsgevaagd: in hoog koepelrond stond hij nu, daar nu, nu daad’lijk, zonder tusschenruimte van naad’ren, in koepelrond hoog en glas-gestolpt met wijd-helschaterend zonnelicht en van witmarmer de wanden — en met handen en lijf en met oogen en wangen, stond hij zijn leven daar huivergrinnekend te schurken rond de pijnlichte wanden — en voort zou hij gaan en laten zijn levensoogen het licht verzuipen tot de leden zwaarmoe neer zouen tuimelen naar den zijnloozen slaap. Het was een haat in hem tegen den tijd dat hij dit niet bezeten had — haat die bij schokken rondschroeide in hem
— en wilder graaide hij, drong hij, gulzigde hij — en zijn nacht zette hij in watelrumoer van zijn levensbegeeren...
Tot in hijgende omarming zijn eerste hartstocht geweken was____
Lamgeslagen zijn lichaam en denken, verloomd van beweeg en van afmatting gebogen, was hij naar huis gegaan.
In den aangrijzenden morgen hingen de laatste huizenlichten hun wildschrille kleuren te temperbleeken, lamp-