een hoogen schreeuw zou-ie geven in groote, heet-dicht aanvoelende gelukswereld, die zijn lange ontbering tegen-saterlachen zou ...
* *
*
Een lichte zomersterrennacht was hij gegaan zijn eerste liefde halen. Zijn hoofd was heetrumoerig geweest, omlold van ’t kameraden geschreeuw, dat aandrong op meedoen.
Jeugddronken waren zij de bordeelenwijk rondgegaan, hadden ze gedold en uitgejouwd, gelachen en gevochten, weggegeven en stukgeslagen. In de benarde geulingen der driftenstad, onder het gekrijt der schrille huizenlichten, hadden hun heete jeugdkoppen roodgedrongen gestaan in ’t gezwelg van hun nacht vrij, van hun uitgelaten beestver wording, wen geen baasjesoogen gluurden naar de handen en de lijven niet aan arbeid vastgesjord stonden ,* hadden zij allen, met hoeden en stokken verheerd tot; den morgen, zich opgewonden voor ’t doel van 't vrijenavondfeest —- den laten nachtroes, als elk, halfdronken, zich een halfdronken vrouw zou kiezen.
Hij had zich gedwongen tot meedoen-zonder-verwondering en heetgloeierend had hem de nieuwe nooit ondergane aandoening omkoortst. Zij hadden over zijn vreemdheid niet gerept, zoo had hij zich inlevend gewrongen in hun kring, en in ’t laatste huis was hij met enkel lichaam en benevelde oogen meegegaan, tot hij zich krankzinnig geworpen had in de hoogste dronkenschap die zijn leven had gekend.
Nooit was het geweest zoo — vrouwenarmen naar hem