De dagen waren wel wreed — wel afmattend in de koortsige stuwing van iets, dat hij nu haten ging — wel dompig-bruut in de grijnzende verstroeving van zijn verbeelden — waar alle mooi nu saterlachend van ontkend werd ...
Het was wel een hollen nu door de tijden heen, simpel werktuigje maar van het geldbeestje, dat de wereld boven hem erkende, dat zijn lijf en zijn ziel gekocht had en nu rustig vervreten mocht, als hem maar allernoodigste voor zijn maag werd toegeschoven.
De velden en de luchten en de lachende zon van zijn mooie voorbije verbeeldingsleven die Aardden nu wel krakend uiteen, die vergleden nu wel tot de laatste glimming toe in den huiverenden regen van zijn starre bestaan — die over-dompten nu wel de beestdingen óm hem tot éen droeve leege hardheid van denken» —
Maar ’t allerwreedst van pijnend weebevang, waren de lange nachten.
Wen hij in ’t kamerduister zijn alleenzijn grooter wist en banger — zijn liefdehongrend leven zwart omdromd van dingen rauw en vreemd in grom’lendwijde stad.
De stad was vèr en wijd — en dicht van menschenlevens