van haar wezen plots van hem teruggeweken was — iets heerlijk-moois, hevig begeerd, was daar nu weer van hem weggegaan...
«*s Goed hoor,» zei ze tevreden-eenvoudig, «nou za’k maar naar binne gaan, ’k geloof daar komt de baas an, niet ?»
«De baas?» — zag-ie schrikkend om.
«Ja, op straat — schrik je d'r van? flauw!» —
«God née hoor,» zei-ie, licht nahijgend, »heelemaal niet, waar zou ’k van schrikke.»
Ze was al weg — toen de droefheid in hem neer kwam vlagen om wat daar sarrend-lichts voorbij was gegleden — en groot, en bruut-breed stond de baas daar vóór hem in ?t daad’Iijk schèl-schreeuwende rondomme.
«Zeg, Moos — doe jij m*n lol — ga èffe na 'tabbetwaar terug voor me — ’k heb daar me nieuwe sigarepèpie in me stommigeit late legge — eer ze me dat daar gappe, zeg — ’t legt in 7t portiershokkie — je wéét wel — da’k laats van me vrouw heb gekrege!»
Een klit vernedering stokte in hem neer: «op'tabbetwaar zeg u?» vroeg-ie, om iets te zeggen, — meenend dat de baas zou wéten —
«Ja, bij de portier — loop gauw zég!» —
«Ge-goed baas,» zei-ie hakkelend, en ging den langen weg, met in zijn lijf een gevecht van snikken en van haat.