«Née, née, — dat snap ’k nou wel...»
Zij wist, na zijn even terugtrekken, niet meer te praten en kwam nu even dichter bij hem, lei haar hand op zijn schouder en zag hem liefjes-lachend aan.
Hij wist haar willen niet en ’t even onoverdachte naad’ren, en vreemd-huiverend kwam ’t in hem te bewegen, om de zusterlijke weekheid van ’r stem : «As je nou ’s niks te doen heb hoor,» zei ze, tikkend tegen z’n wang, «dan kom je maar ’s gerust bij me babbele hoor, za-je ’t doen ? ja ? En hoor-is, beloof je me dan ook, bij me te komme, as je weer wat hindert? za-je ’t echt doen, ja? Kom dan bij mij maar ’s klage hoor, za’k wel ’n moedertje voor je probeere te weze — je ben toch ook nog maar ’n dreumesie», zei ze lachend weer, «beloof je ;t me? ja? en asje wat héél noodig heb ?» —
Hij worstelde tegen ’t bewegende week in zijn van liefheid overrompelde denken, dat tergend zacht, hem de verkropte hardheid van dagen overwuiven kwam. Hij voelde even haar hoofd te moeten nemen en ’t snikkend leggen tegen zijn schouder — zijn lippen aan haar mond tot eindelijken dauwbloei te kussen en z’n eigen verstroefd moeë hoofd dan te wentelen in de donzen teerheid van 9r wangen. Maar hij schrok voor ’t groote begeerde hevig terug — hij wist wel — dit wilde zij niet, zij wou maar simpele vriendschap, wijl ze liefde kréég, en hij kon er zijn kermen niet stillen. Toen zag hij haar even angstig aan en zei hakkelend van ja — hij zou wel ’s bij haar komme — en vrage as-ie wat noodig had ook...»
Zij nam haar hand terug en ’t was of de heele zwaarte