re plek begint het ook opeens; het sliert tegen elkaar op en blijft naast elkaar dansen als koperen slangen die rechtop springen en kronkelen, in die dikke lucht, blauw, en vol oliedamp en op allerlei plekken rossig, als brand, maar van boven dicht, als een wijde zolder over de hecle kermis heen. Daar binnen dien zolderkoepel is alles: de muzieken, en het bellen van de draaimolens, hard, waarschuwend als van de schippers als ze door de brug moeten, en de boot-stooten van den stoom-molen, en opeens het lacherige gillen van die fluit in den bek van de houten vrouwenkop. En overal waar je staat, het dreunen: zzzzz, van dat rijen, als een reusachtige mug, door het zingen en brullen en gieren heen van de boerenknechts en meiden, en ook de kets-patsen van den kop van Jut. Vanuit de verte is het zingen als het loeien van een windvlaag; en alles samen lijkt een vol gebrom met roepen erboven uit, en het zoemen van de wagens van de caroussel. De stemmen, de muziek en de walmen drijven op elkaar tot groo-tc wolken; onder den zolderkoepel van den avond kunnen ze niet weg. Vreemd wordt het voor hem, en een beetje vijandig en toch spannend. Voor alles, voor het allerkleinste, voor een wijnbal, voor een pepermuntstok, moet geld wezen; hoe graag hij ook wil, hij moet blijven toezien met de handen in zijn broekzakken. Vijf cent gehad, van die Oome Jaakie. Oej. Wat was dat eventjes veel. Waar zijn ze? Hoe heeft hij ze allemaal kunnen uitgeven, en niet bedenken dat-ie hier nou zoo heelcmaal niets heeft? Hè! Had-ie maar iets bewaard voor vanavond. Weg, ze zijn weg. Niets aan te doen; je kunt er aan denken; je kunt ze niet weerom balen. Aan alle kanten rondom ziet hij geld, guldens, rijksdaalders, uitgeven. Vooral de boerenknechts, in die aan elkaar gearmde rijen paren; zij hebben er een heel jaar voor gespaard, en nu koopen ze en gaan overal binnen alsof ze schatrijk zijn; niets wordt gelaten. Wonderlijk zijn zij voor hem, die jongens en meiden en mannen en vrouwen die daar zoo loopen blerren alsof zij niet meer weten wat ze doen, en zich niet voor elkaar schamen. Zij doen alsof het zoo moet zijn, alsof dat dronken worden en dat ziek zijn en vuil doen van misselijkheid en dat schaapachtig kijken en
95