wens toe in hem op. Het is een volledig lichamelijke pijn. Vader ziet van terzij naar hem.
„Is het soms weer niet goed? koopman?”
„Hè, geef het hem nou maar hier,” zegt hij met een tot vriendelijkheid beheerschten angst, die hier niet te weerstaan is.
„Nou! nou! stil maar!” zegt Jankef. „Zóó dan! Ga naar de plaats Ezra, hier! zoo dan.” Hij mompelt over Eli: „een ponem of de dood er mee gemoeid is.” Hij schuift het raam op en legt de boterham in het venster; Ezra lacht zenuwachtig, stort zich naar buiten, grijpt uit het open venster waar hij de lichte kamer voor zich heeft, de boterham, en gooit er zich weer mee naar binnen. Een ontspanning, een op-ademing, een blijdschap voor Eli, als zijn oogen Ezra weer binnenhalcn, en hij hem ziet happen.
„Mm?”, vraagt Ezra, en biedt hem.
Hoofdschuddend weigeren, door een glimlach als een omhelzing versterkt, aannemelijk gemaakt en verontschuldigd. Dankbaar elkaar ontwijkende blikken, als Ezra schrokt.
Niemand weet hoe heerlijk, niemand weet hoe wondend, dat hij het nu, half afgewend, ziet, hoe de magere Ezra verlegen schrokt.
93