„Nou geef maar,” zegt de magere Ezra, om de onderscheiding en de belooning niet te missen.
„Maar,” zegt Jozef, „één paedagogisch ding: de boterham moet op de donkere plaats gelegd worden. Hier aan de buitenkant van de vensterbank, en daar moet-ie ’m vandaan halen.”
„Goed zoo, goed zoo!” klappen de meisjes; „oeij! oeij! Echt! de meester! de meester!”
„Ja dat moet,” zegt Jozef tot Ezra’s verlegen lach, „want die kinderachtige verdomde vrees voor een beetje donker op de plaats die moet er bij je uit. Vader? Wat jij ?” „Goed, goed, best,” zegt Jankef en haalt de boterham. Hij komt er mee binnen en alle oogen kijken naar de dikke rogge-boterham, besmeerd met het door moeder ingemaakte vet, dat met een beetje zout, een lekkernij heet. Ezra lacht nog steeds. Zijn oogen, droomerig grijs, een ietsje loensch, hebben een ondeugend lichtje. Eli, ook tenger, iets minder uiterlijk beweeglijk, met een neiging van zijn bouw naar meer rondheid en met stiller, ver-bergender blik, lijkt toch op hem.
Jozef, oogen optrekkend: „Ja, niks aan te doenjongetje, wat lekker is, moetje ver halen.”
„Geef maar hier,” zegt Jankef, „ik zal ’m wel brengen.” „O.” Jozef laat zich de boterham afnemen, tegen zijn zin, want hij wil de uitvoerder zijn waar hij de vinder was.
Eli zit stil te vechten: dat noemen ze een belooning! Hij ziet steeds naar Ezra; hij kan de pijn niet houden om diens angst voor het donker van de plaats. Hoe afschuwelijk dat het nou toch gebeuren moet; dat Vader het ook laat gebeuren, en Vader vifidt het zelf niet eens goed. Jozef heeft het bedacht; hij ziet hatend naar den rug van Jozef, dien machtige, dien hij niet verbieden kan; maar als het hem eens gevraagd zou worden! Hè! vroegen ze het maar: smerig, zou hij zeggen... een plocrtestreekie vind ik het.”
Laatst was Ezra bang omdat er ratten waren bij het riool; je kon ze hooren krijschen en piepen. En nu moet hij er heen om de boterham te halen. Eli ziet het gebeuren; en de drang om het tegen te houden, stijgt tot schreeu-
92