En nou moet het maar uit wezen niet? Nou verbied ik je verder die grapjes, heb j’t ook verstaan?”
„Nogh!” minacht Jankef. „O, het is zoo’n echte Gro-ningsche hond. Ja dat ben je. Het is noueens niet om moeder te plagen, maar ze heeft een broer daar in die mediene, en daar heb je me wat al teveel van weg. Ja. (Moeder kijkt minachtend naar hem om.) Ja, dat begrijpt moeder niet of ze wil niet, maar het is zoo. Dat is je oome, waar je naar genoemd bent, die alle veertien dagen, alle vettien doogen zegt-ie zelf, door de veldwachter zijn huis voorbij wordt gebracht, om het drinken en het vechten dat-ie doet. Zooiets heb jij in je, van een mensch niet met rust te kunnen laten, en als maar op te jagen, als maar weer opnieuw, en niet meer weten waar je ophouden moet, tot op het laatst de messen er aan te pas komen. Ja.” „Messen,” spotlacht Hartog.
„Ja messen, wantje woorden zijn ook messen, de jouwe web”
„Och godverdomme,” roept Hartog met geluid van verontwaardiging maar met een gevleiden spotlach om zijn mond, „moet ze niet de heele avend hier verpesten met daar „oe-oe! oe-oe” te zitten snotteren om niks. Niks!” „Omdat Jozef geen Jiddisje meester wil worden,” mokt Mau.
„Godsgelijk heeft-ie,” zegt Lea.
Moeder kijkt.
„Anders hadden we fijn misschien nog een feestje gehad,” zegt Jetje.
„Ja feest bij moeder (Lea) Moeder en feest. Dat weten we nou ommers wel. Moeder heeft feest genoeg als...” „Als?”
„Als? Als u maar kunt zitten grienen. Uw grootste lol.” Alles keert zich tegen haar; zij wreken zich.
„Ik zou graag willen,” zegt Vader, „dat het nou uit was met de discussies.”
„Discussies gesloten.”
„Ja discussies gesloten. Ja. Het is meer dan jammer dat het zoo is, maar het is geen feest geworden. Het zou mij best geweest zijn, als Jozef wèl Jiddische meester had willen wezen; ik zou het met dik pleizier zien gebeuren.
89