door diens reinigende hand. Met een diepen zucht ontspannen zich de geesten, al blijft het spreken steeds gedempt, of het zou te beleedigend, te uitbannend tegen de Moeder zijn. Zij heeft haar ineengedoken gestalte van de lichte tafel weg naar een hoek geschoven; en daar zit zij nu, kleiner, maar nog steeds machtig, met haar zachte verborgen snikken, waarachter een heel leven in enkel wonden open ligt.
Die beweging, van haar nederlaag, brengt bij Eli den strijd om zijn houding en het evenwicht. Hij kon haar overheersching in de kamer niet aanvaarden; haar vlucht ontstelt onmiddellijk zijn blijdschap tot angst voor mishandeling van haar leed. Altijd jagen hem die zorgen op, om de balans van de verhoudingen; altijd wil een glimlach, een woord, een gebaar, een tekort aanvullen waar hij het kan, en wil een eind maken aan een pijn, die hij en zijn vader hier alleen maar kennen, al wordt hij vaak gestraft voor den waan, ze ook in de anderen te zien. Hij loopt op zijn moeder toe, en duwt den achterkant van zijn hand tegen haar wang. Heel den avond, zoolang zij den geest van het huis den wil van haar tranen heeft opgelegd, heeft hij haar met woord noch vinger kunnen aanraken. Zij duwt hem zacht weg, en hij hoort, uit een dichte keel:
„Ga maar.”
Jankef heeft maar een tel ernstig en zoekend naar hem omgezien. Hij staat, in een anderen hoek, met aaneengesloten voeten, zijn hang naar gewoonte en zijn angst voor een persoonlijken god te streden in het snel doorfluisteren en doormompelcn van zijn avondgebed; en vandaar-uit stoot hij zijn vermanende ,,eu!”-rocpen naar de jongens, die hun onderdrukte uitbundigheid loslaten door elkaar stil van de stoelen te duwen; zij gieren gedempt als, in die gedwongen stilte, Hartog met stoel en al languit in de kamer tuimelt.
„Nou,” zegt de groote Lea zacht bestraffend tot Eli, „als Moeder zin heeft in huilen, laat er dan huilen!” En Mau wijst naar zijn voorhoofd; en bijt hem fluisterend toe: „Mesjoggc!” Eli kent van hen die verwarde behoefte aan de sensatie van de sterke tegenstelling: die verheerlijking
86