dan hij. Want hij voelt hoe Moeder met haar eindelooze zacht gesmoorde snikken, verstikkend op alle anderen ligt, en dat hun halsreikend verlangen naar het einde van deze verschrikking wordt vergeten.
Daar gaat eindelijk de buitendeur open, en weer dicht. Zacht. En daarop, nog zachter, beweegt de deur van de kamer. Jozef? Nee, het is Vader toch. Ja, Vader. Die blijft een tel in de deuropening staan. Vader; hij weet wat hier te koop is; hij is weg geweest om, het eerbiedigend, er kracht tegen op te roepen.
,,'sjonge, 'sjonge,” mompelt hij gevoelig-zacht en ernstig, en fluisterend: „Nog precies zoo? Toch ónmogelijk zoo blijven.”
Buigt zijn hoofd naar voren: „Is Hartog ook binnen?” Zacht, uit het duister terug:
„Ja, Hartog is hier.”
„Present.”
„O, (Vader, schor) en Mau?”
„Present.”
„Jozef zeker niet. Wel ?”
„Nee, Jozef niet.”
„Anders allemaal? Kleine Schwanzmajoor ook?”
„J a-4!”Een zachte lach langs allen heen. Zij weten, dat hij dit alles maar zegt, om, in de aanpassing bij de stilte, zonder schennis tegen Moeder, zich toch met hen te vereenigen. In het donker nog, maken zich de lichamen van de stoelen vrij, en staan. Vader’s gestalte loopt op de tafel toe. Weer fluisterend, zegt hij met een merkbaren, laatsten, snel weer aflatenden blik op Moeder:
„Zullen toch maar ’s eerst een beetje licht maken. Kan zoo niet blijven. Is te erg...”
Eli, terwijl alle hoofden in het laatste duister naar Vader staan geheven, peilt het donker en het leed daarvan. Het mag nu nog even heclemaal zijn, hij heeft zijn deel er zonder wijking van genomen. En hij knijpt de oogen toe, ademloos, wachtend. Als hij ze weer opent, langzaam, staat de kamer wijd om hem vol zacht verlossend licht; het komt voor hem uit zijn vader’s wezen; de zwarte zwakheid die benauwend op hen lag, is uitgedreven als
85
G