de bed alleen, en alleen nog de slaap kunnen onttrekking brengen, en als het er dan op aankomt: onttrekking zoekt hij niet. Er is een kracht in hem waarmee hij deze bittere donkere vloeistof, die de vulling van de duistere kamer lijkt, tot den laatsten zich aanbiedenden druppel wil opnemen, en in zich laten zinken door heel het gereede lichaam, alsof hij weet dat ontvluchten laf is, en dat hij deze verschrikkelijke werkelijkheid heel en al moet bezitten, om te worden die hij eens wil zijn. Hij is met Moeder begaan; maar door zijn begaanheid heen voelt hij toch ook verwijt tegen haar, omdat zij hen, kinderen, dien ontzenuwenden aanblik laat van een volwassene, zonder een gebaar van verlichting naar hen, hulpeloos aan de smart overgegeven.
„Moeder!” zegt Hanna, „hou nou op met huilen! Moeder! Eli is er nou ook!”
Geen antwoord, en geen verandering.
Af en toe komen de grootere meisjes, en eindelijk ook de jongens, Mau, Hartog, Ezra terug; zij schuiven als duistere gestalten langs hem heen, even stil als hijzelf. Zij gaan allen zuchtend zitten: Vader is er niet, en niemand om in te grijpen. Bij Eli wordt de bitterheid tegen Moeder sterker, nu de anderen om hem heen zitten en hij ook hun ongeduld en verslagenheid moet dragen: missen zij allen dan al niet genoeg, om ook nog, eer het triestige bed-tijd-oogenblik komt, dat kleine beetje licht van den avond te moeten missen waar, — zoo denkt hij het woordenloos vanuit zijn eigen bevinding — de levensliefde van den berooide, in de schijnsels van de lamp en de vriendelijke gedaante-verzachting der harde dag-vormen, zich althans de flauwe kontoeren der verbeelding kan scheppen; troost voor den dag, en vooral voor den vóór-nacht die komen gaat? Hij is begaan met Moeder; maar eenmaal de oorzaak van haar verdriet gekend, die hem geen sympathie met haar ingeeft, verzet hij zich toch tegen haar over-heersching van het huis, waar tevredenheid en zelfs feest van een ongewone overwinning zou kunnen leven. Zelf sterk tegen dien gift-vlocd van den kamer-inhoud, zit hij nu begaan met de anderen, van wie hij voelt dat zij tegen deze mishandeling door haar zwakheid onmachtiger staan
84