gen wat hier gebeurd is. Hij weet dat Moeder vaak zoo verslagen zit, huilend en met hoofdpijn, na een twist met Vader, of door de drift van de jongens die alle tucht doorbreken en over haar orde-pogingen heentrappen als een koppel jonge paarden over een gammel strookje heg. Als hij even gezeten heeft, schuift hij voorzichtig naar Han-na, vraagt, voor Moeder onverstaanbaar:
„Is der ruzie geweest?”
„Ruzie niet,” fluistert Hanna terug, „maar het is om Jozef.”
„Wat?”
„Je weet toch wel dat Jozef vandaag voor meester examen heeft gehad?”
„En is-ie dan gezakt?”
„Nee, hij is juist niét gezakt.”
„Is-ic nou meester geworden?”
„Ja, hij is meester geworden; hij is juist door zijn examen gekomen.”
„Hè? En ik dacht nog wel dat we feest zouden krijgen. Als-ic er toch door is.”
„Ja, feest,” fluistert Hanna met een keelschraap van het fluisteren en een bevreesden blik naar Moeder’s kant, „moetje Moeder maar vragen. Om feest. Moeder zal wel zorgen dat er feest komt. Kind heb je dan nou geen feest? Daar is het. Daar heb je het feest. Omdat je broer meester is geworden.”
Daar moet hij van zwijgen, omlaag zien, en w'ccr op naar Moeder die maar stil blijft voortschreien. Nog een voorzichtig fluisteren naar Hanna:
„En waarom schreit ze dan? Is er dan toch ruzie geweest ?”
Fluistering terug vlak bij zijn gezicht: „Omdat Moeder wou hebben dat-ie nou Jiddische meester zou worden, en dat wil-ie niet. Ze zit al de heele avend zoo.”
Met de voeten op de stoelsportcn blijft hij zitten zwijgen. Als groote slokken verstommend-bittere drank, die niet te ontwijken zijn, zoo komt dat zwart van de kamer met het scheppende middelpunt van de stil schreiende vrouw op hem aan. Avond: geen enkele kans meer op het herstel van den dag; het gevreesde en altijd te vroeg eischen-
83