len. Als hij meent, ongeveer uit hun gezichtskring te zijn, slaat het bewustzijn van zijn bezit een vreugde naar zijn hoofd, die een oogenblik verwarring wordt, en die verwarring houdt zijn hand terug van het roezige versmijten van het geld, en redt hem voor den heelen dag. Hij koopt in de voorhal van den hemelschen tempel een oliebol, waarvan de geur de wierook van het feest beteekent, van het feest dat een ganschen dag duurt.
Langzaam, na de eerste verbijstering, geeft hij uit; geeft uit en bezint weer, en loopt rond. Eenzaam zwervend over de terreinen van die heerlijkheid, leert hij een ganschen dag de volheid van het leven kennen, de rijpende genieting van de koopkracht, het manlijk gewapende, dolende aanschouwen en doorgronden van den droom der kinderbegeerens, die hun eerste machteloosheid beginnen te verliezen. Hij ként. Hij bezit. Er blijft te begeeren over; hij is gelukkig. Nooit kan hij de dankbaarheid uitspreken voor het gebaar van die schenking, voor de daad van die riddering, omdat hij zooveel ontroering niet durft mecdeelen. Maar in de stilte van zijn hart, zijn leven lang, bewaart hij voor het lijzige eindje oome een plekje eerbied, dankbaarheid en wijding.
Oud en eenzaam ziet hij hem later; slavend, voor zijn zwager die het goed heeft, zijn laatste jaren door, en zijn loon, behalve de vrije kost en een beetje salaris, moet bestaan uit de warmte die hij van zijn patroon’s gezin dagelijks in bezoekjes komt halen. Hoe dichter de beangstigende grijsheid om hem nadert, des te machteloozer, des te vragender, des te smeekender om een gesprek, een svmpathietje, een woordje, wordt zijn breed getrokken lach, wee-zoet van aarzelende, angstig geboden vriendelijkheid: een grijns. Het is voor Eli smartelijk om aan te zien. En smartelijker, omdat hij behoort tot degenen jegens wie hij een dankbaarheid-schuld heeft, en wien hij de angsten van hun stil-bloedige levens zou willen verzachten omdat zij hem geluk hebben geschonken. Hij weet dat zijn verdienste niet overschat mag worden; nochtans hij mag het niet zonder zelfzucht gemeend hebben; hij mag, in zijn bewustzijn, van alle aandeel aan zijn geluk verstoken zijn geweest; hij hééft hem toch maar dien
81