genoeg om den sleutel te kennen; het is niet moeilijk geweest te ondervinden hoe hij eruitziet; het is niet pijnloos geweest te beleven dat er veel menschen waren die blijkbaar sleutels bezaten, passend op alle hemeldeuren. Aan zooiets valt niet te denken. Maar, één enkele dan, voor één keer dan! Daar komt dien morgen het oogenblik waarop hij ze vlak voor zich ziet, en ze hoort rammelen. De oome wordt een onvergetelijk mensch in zijn leven, de oude sjlemielige vrijgezel, de koekjes-eter, de droogpruimer, met zijn groote, looze oogen, die maar een schijn van beteekenis krijgen door den gouden bril, het decorum van de intellectueele familie van muzikanten, half-kunstenaars, en vlinder-blinde zaken-opzctters. Daar staat hij, bij Vaders stal, op twintig pas afstand van de eerste kermiskraam en den paardendraaimolen, met Vader af te rekenen. Eli staat ernaast; hij voelt hoe de begeerte zijn trekken verscheurt, en hij durft niet op te zien. Hij kijkt rond, hij kijkt naar de lucht. Hij kijkt naar de pet van den gast uit Groot-Mokum, naar de pet en de bakkebaardjes van zijn vader, naar alles behalve naar het geld, in de handen van dien machtige die hem gelukkig zou kunnen maken. Daar begint de muziek van den draaimolen. De hemelsche melodieén slcepen haar visi-oencn-dracht tot in zijn hoofd, waar het smacht, waar het bidt: o laat het nou dezen keer toch eens gelukken wat zoo vaak misloopt; één keer moet alles toch eens goed zijn, watje zóó wilt. Toch kan hij zijn begeerte niet too-nen; niets ervan kan hij toonen; het moet kómen.
En het komt!
De oome kijkt hem aan van achter zijn gouden bril, zonder veel overgave; maar hij kijkt.
„Motje naar de kerremes? jij?” Het komt lijzig uit zijn mond. Hij zwijgt, Eli, hij siddert, en kijkt langs oome’s hand heen. Er wordt over hem beslist, in dit korte oogenblik. Ja! Hij geeft! Vijf centen! Vijf! Eén had hem al gelukkig gemaakt. Maar vijf! Een heele stroom van koper. Een kinderhand vol macht. Hij zegt dank je wel, hij keert zich om, bij den glimlach van zijn vader. Dat gezicht, recht, met den glimlach, open neutraal maar tevreden, blijft hem even bij. En hij voelt zich langzaam wegsncl-
80