Er is al angst, en Hanna dringt:
„Ga jij er dan uit, Eli, laat de kat eruit!”
„Ja. Dadelijk. Ja. Ik heb blootc voeten!”
„Moeder!”
O, gelukkig, dat is een klein wonder van mildheid, want daar hooren zij, zoo onverwacht gauw — hoe kan dat soms toch ook zoo vreemd gelukkig loopen? — de stem van Moeder alweer — hoe is het mogclijk; zijn zij dan niet weg geweest? hebben zij dan weer geweten dat er angst is hier ? — Achter de raam-zeef, met den warmeren toon van vader, en de langzame zingende redeneer-stem van Oomc Jaak, prettig toch omdat hij toch maar weer even versterking om hen heen brengt nu — en met het volle geluid van een buurman, als een warme geruststelling in de schemerstraat, staan zij bezig.
„Moe! Moeder! Vader!”
„Ja, we zijn al terug hoor! Slaapje nog niet? Gauw hoor! gaan slapen!”
En: Ammcleman tot Oom Jaak en de buren, tcedcre beschuldigingen over het kroost, ingegeven door een laatste restje moedertrots om de kleinsten. De buren antwoorden van de Jodenkinderen dat zij „goed bij” zijn. En nu kronkelen zij zich in de bedstee, en geven zich den nacht over, vol prettige gedachten rond de Kermis.
Den volgenden ochtend, vacantie-ochtend, Maandag, het Kermis-bcgin, zijn die gedachten heel en al tegen het feest op het plein en langs het vaartje opgejaagd. De gedachte aan de Kermis wordt de droom van den aardschen hemel. De kleuren der kramen en spellen, de gouden lucht-bcklimmingen der muziek, de welriekendheid van de oliebollen.
Hij is acht jaar; hij krijgt af en toe een cent van Vader; gister heeft hij er een gehad; vandaag durft hij er nauwelijks weer een vragen, en zeker zoo vroeg in den dag niet. Kind van de armen, aan alle levende kennis van hemelen vreemd, tracht hij zelfs naar den hemel te komen door de beschilderde en vergulde deuren van een sprookjesachtige carousscl. Want de kermis is dan toch het feest van de mcnschen, en het feest van de menschen is de hemel. De hemel wacht, en hij mag niet binnen. Hij is ervaren
79