MET EEN STUIVER DOOR HEMEL EN ONDERWERELD
Laat zomer slaapt hij in het kleine kamertje aan den voorkant, in een bedstee met Hanna samen. Moeder is met Vader en oom Jaak uit Amsterdam, even opgewandcld; zij mag even de kermis zien die morgen gaat beginnen; zij komt nooit van huis, er is geen tijd voor of er is geen vrede voor. Oom Jaak, de ouwe vrijer, is voo*r ,,zaken” over uit Amsterdam; hij levert Jankef een tijdlang verkoopbare oude kleeren bij grooter hoeveelheden dan Vader ze hier ooit kan bemachtigen; com Jaak verdient er wat aan, en hij brengt Jankef winst en voedsel in. Lea die bij huis zal blijven, dwaalt al pratend met de buren een eindje af, en Eli en Hanna zijn alleen thuis. Het is nog wel niet heelemaal donker buiten, en zij hooren burenstemmen in de straat. Maar het wordt Kermis, en het is Zondagavond. Op de kermis zijn dronken kerels, angstwekkende menschelijke rariteiten als het donker gaat worden in huis, dragers van geheimenissen, de koppen rood verhit, soms bloedend van messen tegen elkaar, en wilde vreemde blikken die het ongeluk zoeken. En er zijn tijgers en leeuwen. In kooien; maar al spreken de groote menschen van de veiligheid van tralies; zijn tralies niet maar dingen? dingen die gemaakt zijn en die kunnen breken. Deze kooien breken misschien, en de leeuwen en de tijgers ginds van de kermis komen eruit, loopen er uit, loopen door de straten en stegen; waarom zouden ze juist niet hier kunnen komen? Wat is dat? O, God! het is de kat!
„Moeder! Lea! Moeder! De kat is hier! Moeder! doe de kat ’s uit de kamer!”
Overdag wordt zij niet gev reesd, de kat, althans niet zoo dadelijk, want zij jagen ze na uit angst tot ze, in een hoek gedreven, hen tocblaast en de kinderen vluchten, omdat zij haar nu goed gezien hebben. Die kat wordt nu een onbetrouwbaar, een gevaarlijk beest, wordt iets van de leeuwen en tijgers van de kermis, met haar geluid van zachte pooten op den houten vloeren haar miauw inde aan-zwar-tende nachtelijkheid die vervuld is van het onbekende.
78