hond die zoo even weg is gegaan, om die nog langer hier onder mijn dak te verdragen. Dat begrijpt-ic niet.’'’
Fdi zwijgt. Het is een hardheid tusschen vader en hem. Een domme harde muur lijkt het hem ergens in vader’s hart, die niet weg wil van zijn tot gewoonte geworden overdrijving, daar waar het zijn „Jiddisjkat” raakt. Het is niet echt, het kan niet echt zijn; alleen wat hij voelt oor Hartog is echt. Maar dat kan niet gezegd worden, want dat echte lijkt voor de anderen gezocht.
Hij gaat uitgeput van bewogenheid naar bed. In donker, zonder tranen, dringt het verdriet naar het hoofd. Hartog nu weer weg, uit het huis.
Voor het huis en voor hem bedorven, voor altijd. Enkel maar bedorven. Als hij straks moet gaan studecren, bij meneer Meijer en op die U.L.O.-school: geen enkele fijne broer meer om zich heen, om in stilte blij mee te zijn, van allemaal die hij had. En Lca weg. En vader met die vrouw. Hanna alleen nog van hemzelf over. Dat moet dan maar.
Hij is nu bijna twaalf; over een jaar gaat het al kerkelijke aanneming worden; dan beschouwt men hem als grootc jongen, thuis.
De Droom overheerscht. De v rees voor de inlijving bij de grootc legioenen van de lichamelijke bedrijvigheid wordt stil-drukkend in hem; het bewustzijn van den strijd en zijn tegenstellingen vertoont zich helderder, en groeiend. De Droom worstelt om de opperheerschappij over de daden, bij dc eischcn die de wereld en liet huis hem stellen. De Droom kan nog de werkelijkheden aan: hij stoot zich, hij staat telkens gewond; hij kreunt vaak gescheurd; hij ligt soms, als vernietigd, en tot schreien onmachtig; maar hij is, hij strijdt, hij hcerscht nog, de Droom.
In het samcnleven is hij kameraad, Eli; nadert eiken arbeid, neemt elk ding tot zich, schuwt geen enkele rauwheid die onvermijdelijk is. Hij helpt druk, in al wat zich opdringt: in huis, op dc markt, bij dc boeren. Bij bloed of vischstank van het eten, met vreugde; bij het
425