Eli neemt hem tot zich, dien knik; hij bergt hem in zicli op. Hij ziet toe, tot het laatst: de gestalte opent de deur, wendt zich om de deur, sluit ze achter zich, stapt in dc nachts traat.
Voor altijd weg. Zoo maar. Het is of alles in hem bij kleine stukjes geplet wordt, en stukgebrokcn, en een weeke massa wordt van verdriet, dat de keel nijpt en dc tranen naar dc oogen dringt. Zoo maar weg. Voor altijd. Nooit zal hij hem meer spreken. Hij voelt het ook. Hij blijft in de gang staan. O God. Hoe is het toch mogclijk dat niemand het weet, dat niemand er aan denkt.
„Kom je ook binnen jongmensch?”
,,Is-ic weg?”
„Ja,” met een stem die beeft.
„God zij gedankt en geloofd. Ja hij (vader doelt op Eli) heeft er nog hartzeer van.”
„Ik zeg toch niks.”
„Nee nee. Het is goed. Je mag evcnwels wèl wat zeggen; het is mijn grootste verlossing vandaag. Zoo’n vuilcn hond...: Je zult je zin hebben ouwe man...”
„Je weet hoe Eli is, vader,” zegt Hanna.
„Nou óók een zorreg, (Eea), het is zijn broer; hij is wijs, maar niet zoo wijs om te begrijpen dat het een geluk is dat-ic voor altijd de deur uit is.”
Jankef ziet naar hem.
„Foei, foei,” zegt hij terwijl hij gaat zitten, „het is allemaal dezelfde schwerenout. Ja. Maar je mag hèm vandaag niet allemaal slechte streepies geven, want hij heeft ook een heel goed ding gedaan. Als wc aan de sof van die vuile jaajm-soref-klant nog zijn ontsprongen, dan heeft hij d’r groote portie an.”
Hij spreekt steeds zachter, vermoeider en ernstiger nu, Jankef, in de avondkamer die, in de stilte van de buren rondom, al bijna nachtkamer is.
„Het moet gezegd worden: het is zoo. Hij is het die me d’r vanaf heeft gebracht om op een krimineele manier in dc sjwie-jenieje te loopen. Dat was nog niet zoo goed af-gcloopen. En daarin hceft-ic zich best, best gedragen. Maar voor de rest, dat wil ik óók zeggen: hceft-ie geen begrip van wat het voor mijn beteekent, om die liederlijke
424