Nu is Hartog in zijn borstrok naar beneden gekomen, en er zijn een paar buren toegeloopen, die hun hoofden om den hoek steken.
„Wat is er aan de hand? Hadt je malleur, Leefmans?” „Godverdommie,” zegt Jan Mot met ingehouden blik in het rond, „wat maak jullie voor strond godverdommie. Om een scheet. Dondert allemaal op godver.”
Hij is bang geworden, en scharrelt alsof hij van niets weet, naar de deur-opening.
Hartog ziet zijn vader en de buren aan en zegt enkel: „Den naam des Heeren zoo ijdel te misbruiken.” Jankef antwoordt hem met gloeiende oogen, om de buren. Hartog glimlacht er treiterig om, en wendt daarmee zijn blik af. Zijn hulp is niet meer rroodig, want Jan wandelt met zijn handen in zijn broekzakken de deur uit, spuwend en vloekend. Maar zijn stillen angst voor den greep die op hem wacht, voelen zij allen aan de onverschilligheid die hij zichzelf tracht wi js te maken, en waarmee hij zacht zingend de straat in tippelt.
„Je hebt je best gehouen,” zegt vader binnen de gesloten gang tot Hartog, „maar nou kun je me toch nog één pleizicr doen. En dat is nou dadelijk hèm achterna gaan. Dan is mijn huis ook niet ijdel misbruikt.”
In die verstillende ontspanning van de angsten vindt Eli het hard van vader. Hartog heeft wel al die nare malle dingen gezegd, maar hij is toch maar naar beneden gekomen. Eli kan vanavond haast niet meer dragen. En moet dat nu ook nog gebeuren ? Waarom juist nu ? Hartog keert zich bij de trap-nis naar vader, en zegt: „De zielen zijn verstokt; je zult je zin hebben ouwe man.” Hij gaat naar boven, steeds met zijn glimlach.
De meisjes lachen hard-valsch, en vader die zijn kleercn schikt, houdt zijn uitdagenden bitteren spotlach in de hoeken van zijn opgewonden gloeiende oogen. Hij zwijgt. „Kom jonges, naar binnen en dan rust, asjeblieft! Het is wel mooi geweest nou.”
Maar Eli blijft bij de kamerdeur in de gang staan. Want Hartog komt de trap weer af. Hij is gekleed. En gaat. „Dag Hartog!”
Enkel een knik, met steeds dien glimlach van liet spel.
423