„Hè!” zegt hij, en neemt Jankef van voeten tot hoofd on-geloovig op, „de politic?”
„Jazeker de politie,” schort Jankef. Hij heeft'haast geen geluid meer bij het zien van de dreiging in de houding van den dalver.
„Hoor’s even, jij!” schreeuwt Jan, „jij moet godverdomme geen gijntjes verkoopen tegen iemand die een scherp messie in zijn zak heeft, hoor! Versta je dat? Mijn koper godverdommie. Hier!”
„Ik hèb je koper niet,” lacht Jankef angstig.
„Niet? Mijn koper godverdommie! Mijn koper, of centen!”
Eli siddert. Hij ziet vader’s angst; hij gruwt van het gevaar voor Vader’s lijf. En daar ziet hij, plotseling, de handen van den kerel uitgestoken naar vader’s keel gaan. Vader staat wit, wil terugtrekken, maar de vuist heeft hem al door zijn kleeren in zijn strot en schudt hem. „Mijn koper godverdommesche jood! Ik zal je godverdomme door je eigen huis sleepen, ik snij je godverdomme aan stukkies, godverdommesche Jood!”
„Hartog! Hartog!” Eli krijt het naar boven, in de trapnis. Op antwoord van Hartog:
„Ze doen vader wat! Jan Mot! Vader!”
Eli schreeuwt het bij de trap naar boven. Het scheurt door het huis. Lea en Hanna gillen loeiend door de gang. „Laatje los!” roept Jankef benauwd. „Jonges! Eli! roep de politie! hij is gek! Je bent gek! laat los!” schreeuwt hij naar den dronken kerel, „ik hèb je koper niet; als ik je toch zeg dat ik het niet heb! Had het dan godverdomme niet gebracht, verdomde stommeling, datje bent!” „Wat?”
Hij schudt Jankef aan zijn kleeren heen en weer, tot Eli eindelijk langs hen heeft durven komen op de stoep. Hij staat te persen om het woord naar buiten te brengen; het is of hij uit de holte wan zijn lichaam geen geluid kan krijgen. Eindelijk klinkt het schor in de straat:
„Help! Politie!” roept hij, „Politie! Helléep!”
Op dit woord laat Jan Mot Jankeflos:
„Wat, godverdomme, politie,” zegt hij en ziet achter zich.