hier moet komen. Hartog vragen hier goed bij hen te blijven? Nee, dat zal niet helpen. Maar het ontzettende: Vader gevangen als een dier. Nee, dat zal niet gebeuren, dat is te duidelijk dat het koper er enkel maar buiten vader’s weten neergezet was? Maar Lea zegt het toch maar, als hij vraagt:
„Kunnen ze vader daar wel een maand houcn?”
„Een maand niet, denk ik. Ik weet het niet,"’ klaagt Lea. /.ij weet het niet! En het wordt nacht!
Hè! daar tikt iemand op het raam: Vaders stem! Ja! „JaaiJaa!” ...
Alle drie gooien zich in de gang.
„O, goddank, zoo gauw.”
„Niks geen apartigheid,” hijgt hij, „niks geen drukte. Netjes weer naar huis, de deur maar weer op de knip. Zoo.”
Hij is nog onder een, van bcvrijdingsblijdschap doorscheurde spanning, met zijn levendig verslag van het bezoek aan het bureau bezig, en er wrordt gebeld.
„Daar is-ie, de sjikkernik,” schrikt hij. Weer nieuwe angst bij allen.
„Vader! niet open doen!”
„Eventjes. Ik moet ’t ’m toch zeker zeggen? T)e gooj zijn goed is toch zeker niet meer hier?”
„Vader, pas op!” waarschuwt Lea.
„Wie is daar?”
„Ja! Leefmans d’r nou?”
Jankef opent de deur. Jan Mot’s pet hangt nu scheef.
„’s Jonge ’s jonge Jan, het is niet best geloopen. Ze hebben het me uit m’n gang weggchaald.”
„Hebben ze ’t weggehaald? En wie dan wel ?”
Hij spuugt een straal tabakspruim als een staaf op de stoep, en stapt zwaaiend in de gang.
„Wie dan wel?” hijgt Jankef, „het waren geen vrienden van je, Jan.”
„Zoo niet godverdomme ?” Jankef schrikt.
„Ja, nou motje mijn niet kwaad aankijken, want ik heb d’r vanzellef geen part an.”
„En wie is dat dan wel die het, die het heeft weggehaald ?” „Nou, de politie vanzellef, dat begrijp je toch nou wel ?"
27
421