„Het staat dus vast dat het gestolen is meneer?” „Jazeker, het is gestolen, anders kwam ik niet hier. Het was dadelijk bekend.”
„En ik moet tóch mee?”
„Ja daar is niets aan te doen. De zakken laat ik dadelijk halen. Mag niemand meer aankomen hoor!”
„Nee meneer.”
„En als hij komt, meneer, dan bent U hier niet...”
„O, die hoef ik geeneens na te loopen, die tolt zoo dronken en wel in mijn handen, al liep ik te slapen over de straat.”
De kinderen zitten met gesloten kelen, als vader met de politie-meneer weg is. Sidderen en schokken saam als er gebeld wordt. Een agent en een man met een kar halen de beide zakken koper weg.
Nog een uur in het beangstigende huis, met alleen Har-tog boven die al schijnt te slapen, en dien alleen Eli niet vreest. Een vreeselijke tijd van minuut tot minuut; telkens even spreken; elkaar verontrusten en beangsten met de onzekerheid van vader’s terugkomst. En eenmaal Lea’s woorden: „Als-ie maar terug komt.”
„Ze kunnen vader toch niet houen? Vader heeft toch niks gedaan ?”
Op zulke oogenblikken spreekt Eli niet mee. Hij zwijgt, met grootc oogen. En zoekt, wat er te dragen zal zijn. „Niks gedaan, dat moeten ze maar geloovcn. Zij kunnen altijd iemand houen. Als ze willen en ze vertrouwen vader niet?”
„Ze merken toch gauw genoeg dat vader niets gekocht heeft?”
„Zoo? goochem kind? En als Jan Mot nou ’s met vader afgesproken heeft, dat-ie moet zeggen het is niet gekocht? Zulleke dingen gebeuren wel ccns. Daar denk jij niet an, maar ik denk d’r wel an,” zegt Lea zorgelijk. „Als vader ze maar niet wantrouwig maakt, zie. Als ze ’m gclooven, laten ze ’m wel gaan.”
Eli’s hoofd schijnt uit te zetten van verschrikking. Hij denkt zich alles al in: vader niet terug; maanden vastgehouden; bij de politie is dat alles mogelijk. Zij zitten hier zonder vader; hij schrijft naar Amsterdam dat er iemand
420