„Het is niet gekocht.”
„Het is niet gekocht!” roepen Lea en Hanna.
„Het is niet gekocht,” zegt Eli, dapperder dan ooit.
„Het is niet gekocht,” gaat Jankef voort. „Ja meneer, de kinderen roepen het niet omdat er iets afgesproken is het een of het ander, maar omdat ze d’r bij geweest zijn en het zelf van ’m hebben aangenomen. Dat wil zeggen, ik was niet thuis verstaat meneer wel ? en de kinderen hebben ’m te w7oord gestaan, en toen heeft-ie deze beide zakken hier in mijn gang gezet. Als ik er geweest w'as, was-ie natuurlijk heelemaal met mijn weten niet hier in huis gekomen. Maar ik was juist een half uur weg. En nou weet meneer ook alles.”
„Komt-ie terug?”
„Hij zou terug komen, ja. Maar wanneer, dat weet ik natuurlijk niet.”
„Nou ja. Leefmans w'il je even méégaan naar het bureau?” De kinderen schrikken.
„Jazeker meneer. Nou niet zoo dolgraag vanzellef, want zij blijven alleen thuis.”
„Nou, dat kan straks ook nog wel. Nee, het is geen arrestatie hoor, geen kwestie van. Asje niets gekocht hebt en dat geloof ik nou wel...”
„Nou vanzellef,” zegt Jankef gelukkig. „U hoeft me immers niet te gelooven; dat ziet meneer toch ommers straks wel ?”
„Koopen je dochters dan nooit?”
„Mijn dochters? Nooit.”
„O, en hij ook niet, hij is te klein,” zegt hij met een blik op Eli. „Nou, dan is ’t toch maar beter, Leefmans datje nu even meegaat. Kun je me ook zeggen waar je straks gew'eest bent toen Jan Mot hier kwam?”
„Ik ben geweest meneer, bij juffrouw Betje van Gelderen, in de Gasthuissteeg, achter het Schapenboschje, nummer dat weet ik niet. Ze was hier, en ik heb haar naar huis gebracht. En toen regelrecht weer naar hier terug. En toen was het er. Op dezelfde plek; is niet aan verschoven of niks.”
„Moetje toch verhoor afgenomen worden op het bureau, en proces verbaal gemaakt.”
4!9