we het dan maar in eens heelemaal weggooien ? Ja, jij bent moore (bang) hè?” zegt hij als hij Eli’s opglanzenden blik ziet. „Nou. Het is ook zoo. Het is ook vuiligheid. Het is ook doodsgevaarlijk ook met die smerige sjikkere gannef. Nou dan moet het maar weg. En maar gauw ook. Vooruit dan maar. Als-ie dan maar gauw komt, dat vuile, smerige zwijn, dat me nog in de onrust en het gevaar brengt óók, als-ie dan maar heel gauw komt, dan gaat het mèt ’m mee, en dan hebben we verder geen jijtzer en geen pijn in de buik óók d’r om. Daar dan. Het is zoo. Uit. Afgeloopen dan. Wordt niet meer over gepraat.”
De klink van de deur beweegt, en een knie-duw opent. Dat moet Jan Mot zijn. Maar het is Jan Mot niet. Vader staat bleek toe te zien; het is de meneer-achtige figuur van een bekenden rechercheur van de politie. „Leefmans. Hoef'me niet te legitimceren hè?”
„Nee meneer (angstig lachend) is wèl bekend.”
De meisjes staan in de gang. Een beven door allen heen. „Jan Mot hier geweest?”
Jankef met een hijg-scheut, bevrijd: „Ik heb d’r niks geen doekies om te winden meneer, hij is hier geweest, al was ik persoonlijk niet thuis.”
„O. Wie was dan thuis?”
Hij is al naderbij gekomen. Hij heeft al de beide zakken gezien en belast en ingekeken, en hij knikt.
„Niets geen moeilijk onderzoek,” zegt hij vriendelijk, „en wat heb je d’r voor betaald ?” vraagt hij als achteloos met zijn hoofd omgewend.
„Ja, dat dacht ik nou waarachtig wel, datje dat vragen zou meneer,” zegt Jankef nu vrijmoediger, „maar dat heb je nou net precies mis, want er is heelemaal niets voor betaald.”
„Moetje nog afrekenen?”
„Afrekenen moet ik ook niet, want er is niets voor betaald en er wordt niets voor betaald. En om het maar ineens te zeggen, ja meneer moet goed luisteren want het is heel aardig; het is niet betaald en het wordt niet gekocht ook.”
„Is het dan niet gekocht?” Hij fronst de brauwen.
418