dat... nou ja! Ja, a’j bang bent, moetje zoovéél laten,” zegt hij. Maar zijn blik wordt door Eli vastgehouden, omdat Eli vaders angst nu vóór hem heeft gezet.
Hij kan het niet meer voor zich verbergen, Jankef: het beeld van politie en gevangenis is er.
Samen alleen in de gang, bij het kleine lichtje aan den muur, zien zij elkaar in de oogen. Het besluit hangt tus-schen hen:
„Nee hè?” zegt Jankef nu stil, „niet doen hè?” Plotseling: boem! dreunt boven op den zolder een bons. Zij schrikken, en Jankef’s verhitte gezicht wordt nu volkomen wit, als Hartog’s galm naar hen heen komthoonen, met heel den zwaren gcrekten nadruk van de gereformeerde boeren, bij het bidden, precken en bijbellezen:
„Onze vader die in de hemelen zijt
.... naam........heilig ....
koning......kome . .
Jankef’s oogen gloeien. Hij kan zich niet meer belicer-schen. Met zijn hoofd naar den zolder gericht brandt hij luid naar omhoog:
„Hoe is het Godstcrwercld mogelijk... hoe valt-ie niet dood en in stukken door de zolder heen voor m’n voeten! zoo’n vuil stuk groen giftvuur van een vijand van z’n eigen bloed!”
„Vader! toe nou! denk nou liever om het koper!” „Wat?”
„Zoo dadelijk komt-ie, Jan Mot!”
„Wat? Hoe neemt God ’m niet van me af,” perst hij zijn gepijnigdheid nog nader uit, en als Eli weer zegt: „Toe nou! hij kan elk oogenblik komen!” dan staat Jankef hem opgejaagd aan te zien.
Eli heeft met zijn ergernis om Hartog geen greintje mededoogen; hij zit met één ding vol: met den angst voor de politie, die zich op vader zal storten.
Jankef ondergaat zijn dwang, en staat weer stil. Nu pas, even, verwenscht Eli Hartogs opzettelijke, onnoodige en verwarrende dwaasheid.
„Nou,” zegt Jankef, „wat nou. Ja. (Stilte). Nou, zullen
4G