„Ja-a, vanzcllef brandt het hier ook. Ja.”
Weer blikken.
„Honderd kilo,” verzekert hij zijn jongsten compagnon zachtjes, „weetje ook wat dat beteckent? Dat begrijp ik wel datje dat niet weet. Maar het is meer als een paar nieuwe schoenen voor je kosten, en je nieuwe boeken voor de Gazzen d’r bij. Begrijp je dat wel?” Vader staat nu recht vóór hem: „Dat beteekent honderd maal twee kwartjes schoon in de hand, begrijp je? dat is vijf muntjes van tien gulden het stuk; zooveel is het.” (Alleen tot Eli).
„ik mag ook wel ’s wat hebbe, hoor,” zegt Lea voorzichtig, steeds voorzichtiger en beangster, „ik heb ook zoo lang niks gehad.”
„Hou nou ’s even je mond!” gebiedt Jankef, en blijft weer met Eli in verbinding staan.
„Een nieuwe bloes,” mompelt zij sputterend nog na. Jankef’s gezicht staat als bitter van ernst, maar niet onvriendelijk en vol goeden wil naar Eli’s bleeke strakheid. „Vijftig gulden,” denkt Eli. Dat kan hij niet schatten: geld. Hij kan alleen begrijpen dat vader het zoo graag wil hebben: vijftig gulden, het klinkt als iets geweldigs. Maar hij ziet vader aan; hij ziet dat gezicht, en hij voelt het gevaar vlakbij; hij kan het niet wat hij zou willen; wat hij in gedachten doet, en zelfs aan gedachten niet kan toonen: het uitschreeuwen: „ik vind je gezicht zoo lief, en je handen! en ik wil niet dat handen van politie aan dat gezicht en aan die handen komen!”
Geen woord. Ze zien elkaar steeds aan. Hanna lacht zenuwachtig, en Lea moet zwijgen.
„En het is knap Dalles,” zegt vader dan, „een flinke gezonde Dalles, versta je dat wel?” Hij kijkt weer naar de zakken om:
„De Beeren nemen het zóó, zoo graag alsof het boter was,” zegt hij hijgend, en weer keert hij zich naar den zwijgenden Eli.
„Levie en Jaap ook met een hoop praats weggegaan, zonder een cent tc geven, wat ik nog gehoopt had, en wat me ook beloofd is. Natuurlijk in de roezemoes door het hoofd gegaan.” Nog zachter: „Nog veertig stuiver in
415