vernederd te staan in alles. Waarom zijn de menschen zoo ongelukkig? Werkelijk, hopeloos ongelukkig, zonder geluk? Hij weet het niet: het is ontzettend, het is allemaal van een macht die hij niet kent, maar waartegen hij verzet heeft, en waarvan hij niet kan gelooven dat zij juist en blijvend is.
„Hebt U het gehoord tante Fie? van hem? van Eli? Gazzen en Rebbe! Wij hebben alles in de familie. Daar komt steeds meer bij. Gaat dat zien! Elk uur nieuwe verrassingen. Daar hebt U de Rebbe, en daar de schoolmeester, en hier,” (hij neemt een briefje uit de vensterbank bij vader) „hier hebt U nog wat anders.”
„Nou nou!” maant Jankef, „wilje d’r alsjeblieft niet mee spelen, Levie ? Ik heb d’r geen lust in!”
„Mag tante Fie het niet zien? Een Rebbe en een aanstaande Gereformeerde dominee in den Heere. Och vader, weest U toch verstandiger, die jonge is immers alleen maar een beetje mal in zijn hoofd! Gelooft U daar nou iets van? kom!”
Eli mag hem ook zien, den brief. Hij is van Hartog en straks met de post gekomen:
W. V.
„Ik verlaat morgen dit huis, en begeef mij onder de hoede des Heeren van Israël.”
H. Leefmans.
„Nou, ik zie het,” zegt tante Fie, „God heeft hem zijn verstand benomen. Hij is op hol. Als zijn moeder in leven was, zou het niet gebeurd zijn. Maar evenwels is het voor je vader een Besoere.”
„Moet men dat dan laten zien?” zegt vader, „is dat dan iets om te laten bekijken als een rariteit? Nogh! Het eenige dat ik erover zeggen kan is: dat-ie voor mij dood is.”
Eli kijkt hem aan: dood! Ezra is dood, maar Hartog is niet dood: waarom kan vader dat afschuwelijke woord uitspreken? Hij zou dat woord niet kunnen uitspreken; Hartog blijft Hartog. Vader begrijpt Hartog niet. Hij doet alleen maar mal, omdat-ie dat leuk vindt. Hij vindt
408