wc mekaar altijd goeds hebben gewild. En zoo ken ik jullie niet, nou! Ik ken jullie van kindsaf, maar jullie mijn niet.” Zij kijkt fronsend omlaag.
„Tante Fie,” zegt Levie, terwijl hij met zijn voet naar den voet van Jaap stoot, „weet U al wat de laatste mode is in Amsterdam?”
„Nee,” zegt zij afwerend, „dat weet ik niet. En ik verlang het ook niet te weten.”
„Anders interesseert U zich toch wel voor de mode? Korte rokjes dragen ze. Tante Fie? kijkt U es? Zoo! tot hier!”
Zij lachen omdat hij op zijn borsthoogte wijst.
„Ja, jullie kunnen lachen,” zegt zij, „jullie hebben geen zorg; jullie leven daar in Amsterdam pleizierig met mekaar (hierbij maakt zij een draaiende beweging met haar hand door de lucht) en hebt jullie vrouwen en kinderen, God zal ze jullie allemaal laten in lengte van dagen, omein! Daarom kunnen jullie lachen om een arme ouwe tante, zoo hard als jullie lust. Omdat ik nou wel cris naar de mode gevraagd heb, daarom staat mijn hoofd er nou nog niet naar. Mijn ’n zorg wat ze in Amsterdam dragen; mijn sof helpen ze mij niet dragen. D’r zijn leelijkc ouwe menschen en d’r zijn mooie jonge mcnschen. Ik heb daar straks in die tien pas hier na toe heb ik een dame gezien, luister je? heb ik een dame gezien, een lange blonde dame: een schoonheid! een beeld van God geschapen! Luister je? Levie! Jaap! Lea! Ze had een lange lichte mantel om, van dat room, begrijp je wel? Kreim-kleur! en een hoed met bloemen, of ze zóó met de hand uit de Rozenhof geplukt waren! (Zij plukt rond). Ik ben stil blijven staan; want als men zoo iets ziet, dan heeft men zijn gedachten. Och wat een prachtig mensch was dat! wat een schoonheid van een vrouw, Jaap! Jankef! een Gods evenbeeld. Daar moet men Brooche (de lofzegging) bij maken.”
,,U moet er Brooche bij maken,” zegt Jozef, „en dan wil ik ermee ontbijten.”
„Dan kan men zien, dat het mazzel, het geluk van het leven een mensch door God gegeven wordt. Ja,” minacht zij naar Lea, die zegt: „Had voor mij de mantel maar
405
2 6