over Vader, „nee maar, mijn compliment, hoor Vader! Dat moest, dat moest juist, begrijp je wel?” stoot hij aan Jaap’s arm en roept hij naar Jozef en Lea, „dat moest precies vandaag moest dat, begrijp jullie wel? moest dat van Vader voor mekaar; hij is goed hoor, Vader,” lacht hij, „hij is kolossaal hoor!”
Jankef glimlacht ook.
„O, hoort dat hier dan soms niet bij ? O, dat wou ik dan wel zeggen. Der wordt toch zeker vandaag over de bestemmingen en de toekomsten beslist? O zoo. Hij wordt, als we het leven hebben, wordt hij Gazzen, en dan is er tenminste één, die ook in de Jiddesjkat naar voren komt.” „Nou,” spot Jozef, „dan wordt er ten minste ééntje ook ’s wat voor jouw pleizier.”
„Een ieder doet zijn best op zijn gebied,” fronst Jaap, jaloersch op Jozef’s onderwijzers-aanzien en intcllec-tucele macht, „mijn ’n zorg, als ik maar mijn brood heb. En als bij mijn en mijn vrouw en mijn kindere met permissie de spijsvertering maar goed in orde is.”
Vader heeft Eli geld voor sigaren gegeven, en in de gang de opdracht om naar Bctje van Gelderen, de aanstaande nieuwe moeder te gaan, en haar te vragen of zij even wil komen. Hij heeft haar nu beter gezien; zij ziet er niet oud of ongezond uit, maar hij vindt haar niet smakelijk. Een blankig, maar uitgezet gezicht, met wangen die een beetje lellig uithangen; groenachtige oogen met veel slap wit, de brauwen en het beetje haar dat een kale plek schijnt te bedekken, blond, naar het rossige toe. En dan die domme grijnslach van den mond met sterke, bijna nijdige tanden. Die domme grijnslach, onderdanig en wantrouwend; die blijft.
„Of ik komen wil?” lacht zij onoprecht, weer met dat vooroverbuigen van het hoofd en den mee-buigenden nek. „Vraagt vader dat?” zegt zij gretig. „O. Groote jonge, dat je me de boodschap brengt, hoor. Zeg maar dat ik dadelijk zal komen. Hoor!”
Zij frommelt zenuwachtig haar breikous met pennen in elkaar, met vertrokken mond.
„Dag... Eli! Dag beste jonge...!”
Nee. Dat begrijpt hij toch niet goed, dat hij dat in zijn
403