klem, „om van vaders financieele kracht te prate, dat geeft geen pas tegenover vader.”
„Geeft dat dan pas?” zegt Jankef, en nu recht in Jaaps oogen, „wat meen je dan soms dat ik dat voor praat vind? Dat is praat van iemand die een krummel een makke zijn hersens gebruikt bij wat-ie zegt; ik was niet van plan je de kowet te geven van één woord erover, waarachtig niet, want het is mijn te min om er maar op in te gaan! Het zijn zuivere klinkklare goedgekeurde en goedbevon-den en kosjer geslachte strontpraatjes, begrijp je? en anders niet.”
„Vader! Vader is aan het woord!”
Zij lachen, en Jaap lacht lekker schouderschokkend mee.
„Is dat dan potverdomme anders?” zegt Jankef; hij praat er nog over door, nu schertsend, maar even hartstochtelijk vernietigend. Hij zet zijn pet scheef, met een beetje wilden ruk, en Eli is een en al aandacht voor hem: hij lijkt nu op die lekkere arme jongen van vroeger, die met een meisje de kermis op ging dat hem stil haar porte-mennee toestopte omdat hij geen centen had, en zij toch zoo dolgraag met hem uit wou.
„Ja, je vindt het misselijk en beroerd,” had hij daarvan verteld, „jazeker! maar het kan niet anders en dan doe je het! maar het stuitje natuurlijk vanzelf als jongen tegen de borst op dat oogenblik. Je geeft de centen later wel terug! maar het neemt niet weg dat het op dat oogenblik misselijk is.”
„Ja,” zegt hij nu kalm af-vonnissend tot Jaap, „het is zoo mannetje. Je kunt het wel terugnemen, maar het is gezegd, en het is gedacht, o zoo! Maar daar is toch niets aan te veranderen, dat weet ik wel; als het gedacht wordt, dan is het er bij je; maar je hoeft het daarom nog niet te zéggen. Als je centen teveel hebt, en je hebt er soms temèt last van, dan is er nog een véél betere manier om je pijn te genezen. Ja. Dan doe je maar niks anders als ze bij mijn knap stilletjes op tafel leggen. O jonge, daar frisch je zoo van op.”
Zij lachen allen, en verkneukelen zich om zijn handige wending, die het conflict onverzacht stelt en het onver-
401