woordenstroom niet opnieuw ontketenen, (hij glimlacht naar Eli, die de stemmen-kruisingen en de levendigheid van het gesprek heerlijk vindt, maar een verdrietigheidje heeft om de verwijderdheid van de Amsterdamsche jongens) nou vader, ik wil je tóch zeggen, desnoods ongevraagd, wat ik er van denk. Wil je luisteren, of wil je niet luisteren ?”
„Jaa! Jaa! maak maar niet zoo’n kapsoones van een groote persoon van een redenaar.”
„Die is óók goed,” zegt de meester, en kijkt verslagen in het rond; dan haalt hij de schouders op.
Levie en Jaap schieten in een leedvermaak-lach, terwijl de meester met opengesperde oogen zijn hoofd en zijn hals ronddraait, de mond zwak van geknauwde ijdelheid: „Heb je ooit van je leven,” zegt hij keurig, „nou, hier heb je het dan in telegram-stijl: „ik vind, zie je, ik, datje doen moet watje wilt; het gaat ons niet aan; maar als je me vraagt: dan zeg ik: het is een gewaagde onderneming.”
„Een hoogst onberaden stap,” valt Levie gezwollen bij. „Is dat dan niet waar?” vraagt Jaap.
Jankef maakt stilte. Hij kijkt bitter, als tot blijvend zwijgen besloten, minachtend op zij naar buiten, keert langzaam zijn hoofd weer naar voren, en zegt na een oogen-blik zacht-smalend langs Jaap heen:
„Ik weet niet of ik de „financieele kracht heb” van sommige millioenairs om de vrouw hier te halen die hier noodig is, maar ik weet wel dat de vrouw die hier komen zal, tevreden zal wezen met de boterham die ik met Gods hulp zal verdienen, en die ze me zal helpen verdienen. Gravin of vrouw van geld kan ik jullie niet aanbieden. Zooals dat heet: die pogingen moeten als mislukt worden beschouwd.1'''
„Vader,” zegt Levie nu zacht, „ik wil hier geen critiek oefene op de woorde van Jaap, maar Jaap heeft inderdaad (zijn woorden krijgen langzaam meer nadruk) hier straks woorde gesprokc, die ik niet onderschrijf! Verstaat U wel? die ik niet onderschrijf!"
„Wat bedoel je daarmee?” (Jaap.)
„Dat is geen praat,” zegt Levie met inspanning van
400