FAMILIE-RAAD
Vader komt hem in de gang tegen.
„De jongens uit Amsterdam zijn binnen, kom ze maar eerst even goeiendag zeggen. Ja, de jongens: Levie en Jaap. Nee, Marcus niet, maar Jozef is er ook. Kom maar eerst even, maar dan moet je strakkies even een boodschap voor me doen. Niet tegenspartelen hoor! ver is het niet, maar het moet gebeuren. Ja, ik zal je strakkies wel zeggen waarheen.”
Jaap, de bakker, heeft lekkers meegebracht uit zijn winkel, en Eli krijgt ervan: Jaap heeft het goed, want zooals vader spot: de „nasch” staat niet stil daar in de buurt: „Geen leegem (brood) in huis, tóch vier koekies van vier dij te het stuk: Zakkie kom ’s hier, haar jij mèneris vierkoe-kies van vier dij te, zeg maar Reefmans zar het onthouwe.” Hij spreekt al met een dikke stem, Jaap, en draagt een prachtig gouden horlogeketting. Levie, de slager, zit ook in de Amsterdamsche sjiek; hooge boord tot aan zijn kin, zoo’n dubbele, en een prachtige dasspeld met een echt „steentje”; hij heeft gestoomde bokkings meegebracht, iets Amstcrdamsch, want dat krijgen zij nooit hier. Eli ziet ze in een mandje, met glanzende velletjes als van gcel-bruin bladgoud; hij snuift de pittige rook-geur ervan en lacht vol welbehagen en teedere dankbaarheid naar de broers.
„Goed?”
„Ja”
„O zoo.”
„Ik heb de boodschap al zoo vaak geschreven en gezegd,” zegt Jankef, „het geeft allemaal niks, want de ouwe doet zijn eigen zin; er moet een vrouw komen hier, die aanvult wat er, door God’s wil, is gaan ontbreken.”
„Als U op Vrijdag-avond Uw kinderen om U heen hebt, zoo als dat bij moeder zaliger geweest is, dan hebt U zich niet te beklagen. Ja, alleen dat moeder olewes jolcm is, daarover mag U zich altijd beklagen, want het was een vrouw uit honderdduizend, dat kan men niet genoeg zeggen hier.”
„Tu-tü-tü. Allemaal politiek. En die helpt hier niks”
398