gezegd, en opeens die stem, die, bescheiden, zacht uit de Parnassiembank van hem komt, en die het „Lemaa-an jir-boe je-mv-gem” zingt, op de gewone melodie van de Sabbatsche Thora-lezing, maar zoo ongekend fijn. Het gebeurt toch maar op één plekje in de wereld, zoo werpt hij zijn nog on-doorgrondbaar verweer daar tegen op. Dat alles zal wel moeten wat men nu van hem cischt. Maar hij is bang, alsof men hem tusschen vijanden duwt, midden tusschen vreeselijke bedreigingen van het eigen Allerheerlijkste. En verweer schijnt wel onmogelijk.
397