met zijn uit zoovele tijden zelfzinnig saamgestelde wording: een spannend gevecht, een worsteling op glij-glad-den grond.
Ja, Jozef is schoolmeester geworden; maar is Jozef niet heel anders dan hij, veel gemakkelijker aanpassend, onverschilliger jegens het bewaren van de diepe eigenheid? En heeft zelfs Jozef niet op de kweekschool nog smaad ondervonden van de leeraren, en is Jozef, na thuis op het zolderkamertje te hebben afgestudeerd, zelfs niet geweigerd als vast onderwijzer, bij hun in de stad ? „Geen Jood als vast onderwijzer,” had men gezegd nadat hij er een jaar lang tijdelijk was geweest: dat kon niet hier. En Vader zei: vooral niet omdat ze hem kenden als zoon van den voddenjood.
Naar de Uloschool te moeten, en dan later misschien naar het Seminarium in Amsterdam; hij voelt zich als aangegrepen door onmeedoogende handen, en nu harder dan ooit in dien grooten kring gezet, waar men, hoe dat weet hij niet met de feiten, om brood en glorie vecht. Hij is nog kind, hij wil nog kind zijn. Naar de boeren ’s morgens, goed, en thuis komen en naar school; je wil dan wel liever weg zijn vaak, roeien, varen op prachtige zeeën, in luchtbalonnen drijven, en in warme met vruchtboomen bezette streken dalen, en daar, bij mooie menschen en lieve meisjes, dag aan dag, zwaar gelukkig zijn, eiken dag iets anders, eiken dag en eiken avond een andere kleur, door jezelf in je werkzame lust geschapen. Van dat alles niets dan een glimpje, een bedroefd stemmende afschijn in een stukje van een met inspanning geslaagde vacantie-dag of van een feest.
Dat alles heet onzin, maar hij weet wel beter. Nooit, nooit zal hij dat meer anders denken. In de gedachten leeft het, in de mogelijkheid van den Droom staat het. Dat weet hij van de menschen. Van Vader, van de jongens, van alle jongens en meisjes en van de buren, van de Christen-kennissen ook, die aankomen bij Vader, vaak, om een praatje, en hij ziet het, hij ziet het duidelijk gebeuren: zij hebben een verborgen glimlach; zij sluipen op hem af, als naar een trog van pleizier, alsof zij zich komen wasschen, hun dag afwasschen in steeds nieuw
394