„Nou Eli, en vergeet niet, dat ik morgen twee achtste boter moet hebben. Twee achtste, van hoe heet-ie? van dinges, van Lammers.”
„Jawel meneer. Van Harm Lammers.” (Hij bedenkt dat hij niet verder mag gaan met het uitspreken van zijn vertrouwdheid met die boodschap, want daar hij nog niet kerkelijk meerderjarig is, mag meneer Meijer het niet weten dat hij zelf die bestelling zal doen).
„’M? Harm Lammers? Harm Lammers. Ja Harm.” Heel uit de verte een voorzichtig groetje naar Eli’s begrip, een verstandhouding van minachting jegens dien Harm, meer burgerlijk dan Joodsch. Eli voelt het mengsel, en zwijgt prompt.
Opeens komt er bij het afscheid nog weer een kleine mildheid. De heer gaat naar de kast en haalt er een trommeltje uit, en Eli krijgt een zoet balletje. En op zijn gloeiende wang, het mededoogen en den twijfel om de minachting, in een zachten tik.
Nu is Eli zoo rijk, dat hij bijna van den traplooper glijdt. Hij loopt, met zijn hoofd in een vuurwolk, naar huis. De vuurwolk ontstaat meer uit de wrijving met meneer Meijer, dan uit de verrukking over zijn toekomst. Hij is gloeierig van de spanning waarmee hij de plechtige mededeelingen van den Rebbe in ontvangst heeft moeten nemen, en van het gevecht tegen diens stille eischen omtrent zijn houding. Want bij de gedachte aan de U.L.O.-school krijgt hij een kuil in zijn buik van angst voor die vreemde wereld, de wereld van de „halve kalen”, waarin hij zich dus, met zijn wel schrale, maar als een oud kleed gemakkelijk passende armoede, als in een vijandig kamp zal moeten storten.
Wat zal men daar al niet van hem eischen? aan gedraging, aan kennis, aan braafheid, manieren en vlijt? Hij voorvoelt al de ellende waaraan het huis hem zal overlcveren. Hij weet al dat alles van het huis dat achter hem staat, dat andere leven in hem naar die school, tus-schen die burger-jongens en meisjes in zal steken, in woord, gebaar en allerlei vorm, en dat hij daar steeds mee ontmoedigd zal staan tusschen dat uiterlijk schoonc, maar koudere leven, dat hij toch zal moeten bezetten
393