Eli is nu rood van de onderscheidende bemoeiing. Hij is bij de kinderen volkomen in eer hersteld. En gaat dapper verder. Maar wat zal het zijn, dat hij niet weet? Boven nog wel, het deftige boven met al die stille pracht, van trap-looper, donker-rood vloerkleed, donker-roode stoelen en andere waar je in wegzakt, en nog zooveel datje zoo gauw niet zien kunt maar om je heen voelt als be-dremmelende, voorzichtigheid eischendc zachtheid en rijkdom. Boven, waar-ie maar een enkelen keer komt, om een balletje te halen, als hij een boodschap brengt van Vader over de boter, cn men hem dan roept.
„Je Vader (na vieren boven) heeft me gesproken over jouw toekomst.”
„Jawel meneer.”
„Hij wil dat je je bekwaamt (hij gooit, met gave tanden, een zoet balletje in zijn mond opzij) dat je je bekwaamt in Touro, Rasje en Gemoore enzoovoorts. Om later: Rabbijn te worden...”
„Jawel meneer.”
„Rabbijn, voorzanger! Verkondiger van God’s woord!” Er is weer iets van scherts, een inslagje beschaving, dat afkeer bracht van de frase.
„Jawel meneer.”
„Jawel meneer? Jawel meneer? Daar moetje extra lessen voor hebben!”
„Ja meneer.”
„Als je je best doet, wil ik me die moeite getroosten! Gratis!” bijt hij met zijn sterk kakement, alsof hij Eli van dat woord den diepen zin wil leeren.
„Jawel meneer.”
„Jawel meneer? Jij zegt maar nooit iets anders als jawel meneer!”
De oogen, achter die goud gemonteerde brilleglazen, zien met de bijna onmerkbare tinteling van een glimlach naar hem neer; Eli ondergaat er een beetje minachting in. Een geur van rijkdom, geleerdheid en beschaving, als een overmacht om Eli’s hoofd. Als een wurm, hij daaronder. En de wurm is gloeiend rood, en lacht tot in zijn harte-diepte, verlegen, en slaat zijn oogen op naar den slanken, jong-levendigen grijzen man, en laat ze weer
39i