Mozes heeft leeren vertalen, bijna een en al verveling is geworden.
Gelukkig is meneer Meijer hem de laatste maanden in zijn verveling tegemoet gekomen; hij heet goed te kunnen leeren, hij is nu een van de oudsten bovendien, en nu is hij maar liefst tot hulp verhoogd: als de Rabbi met hem niet bezig is, zet hij hem, eerst bij de allerkleinsten, daarna zelfs bij de grooteren, als leider voor de klas.
Hij is er af en toe al mal van geworden, en liep een keer, een Woensdagmiddag, terwijl de beginnelingen medeklinkers met enkele klanken moesten oplezen, met zijn handen in zijn broekzakken plechtig heen en weer, zonder iets van de volgorde der syllaben in de boekjes der leerlingen af te weten. Hij had zich te schamen toen Meijer op hem toe kwam en hem geërgerd betrapte: „Wat doe je? Be-je mesjogge? Je kunt toch zoo niet con-troleeren of zij het goed lezen ? Gek! Loopt heen en weer. Gekke jonge!”
Eli glimlacht zuur onder het verlies van zijn waardigheid: hij had op zooveel ernst bij Rabbi Meijer niet gerekend, en het volgen van de Hebreeuwsche lettergrepen in het kippekeutelboekje had hem al tot gapen gebracht. Meneer Meijer loopt ernstig van hem weg: toch spaart hij nog zijn gevoeligheid; hij weet al dat hij hem tegenover de kinderen niet zoo straf kan vernederen.
En daar komt hij rustig bij hem terug; staat van hoog naast hem, het hoofd schuin, langs Eli’s gezicht te kijken en zegt ernstig en vriendelijk, bijna lief-zakelijk:
„Als de les afgeloopen is, om vier uur, moetje even bij mij boven komen. Ik moetje spreken.”
„Ja meneer.”
Hij loopt weg en keert terug:
„Over een gewichtige zaak.”
„Jawel meneer.”
Nog eens terug:
„Moetje spreken over je toekomst.” Zijn hoofd gebogen, kijkt hij naar Eli op, achter zijn gouden bril, vriendelijk, bijna vertrouwelijk.
„Hoor?”
„Ja meneer.”
390