een paar losse werkzoekers aan de kade, die hij eiken dag op dezelfde plaatsen ontmoet, groeten hem, met de achting jegens den medeburger die zijn vasten dienst heeft gedaan. Als hij zijn boterhammen en zijn koffie van Lea heeft gehad, en zijn morgengebed, zijn „ooren” een groot kwartier heeft afgcbrabbeld, want het is verschrikkelijk vervelend, dezelfde „weg zonder eind” van eiken morgen, gaat hij als kind naar school, en moet zich daar innerlijk spannen, om al zijn gevoelens van gedwongen volwassenheid in de zoete lieftallige houding om te zetten van het leergierige, bijna heel en al onpersoonlijke kind, dat zonder aarzeling als goed en kwaad en juist aanvaardt, wat de meester hem voor de eeuwigheid vastgesteld meedeelt, en dat met zijn voeten, zijn handen en zijn rug en hoofd in de bank zit zooals die het wil.
De boerschc kinderen, even oud als hij, schijnen hem nu ook langzaam aan dun van onwetendheid toe; de jongens goedig-onbetrouwbaar en onnoozel, ook al schiet het „Jood” bij het geringste meeningsverschil uit hun monden; de meisjes meestal pienter en schijnheilig, die met haar zessen minachtend, ,,a-a-a!” zingen, als een van de jongens een geluidje uit zijn lijf heeft laten ontsnappen, zoodat hij vuurrood en als verstijfd en met angstigen blik naar den meester in zijn bank ziet. Hoe pijnlijk van wreedheid, als Eli moet zien, dat de meester, die eerst wil blijven zwijgen, niet tegen die valsche aandacht van de „meiden” op kan en den jongen opnieuw aanziet, en zegt:
„Kun jij dat niet laten?”
„Ja meester.” (O, is ’t nu nog niet genoeg?)
„Ga zoo lang in de gang tot ik je weer roep.”
„Ja meester,” (hoe afschuwelijk gemeen).
Waarom kijkt hij naar hem, de meester, één oogenblik van terzij ? Is het dan mogelijk dat die, altijd op zulke stekende oogenblikken, zijn gewonde afkeuring voelt? En dat hij het toch niet laten kan, om de gemeene Bram te spelen, voor die pest-meiden ?
„Pest-meiden,” zeggen de jongens zacht; hij krijgt steun. En als de meester zich omkeert, dreigen er vuisten naar de gele toefjes haar.
387