land-killcn maar nervigcn vleeschdrang beeft om hem heen: Bello grijpt speels naar de kat, waar hij te lang mee samen leeft; de stier buiten naar de koe; en Hilletje, bij een van de groote schuren, helpt zonder aarzeling een hengst de merrie dekken, die door een van de knechts daarbij wordt vastgehouden. Hij vraagt zich af: waarom zij juist? Zij ziet Eli aan en praat erover. „Dat zit weer,” zegt zij, en hij voelt dat zij het niet louter als dienst beleeft, want zij veegt haar handen af aan haar bovenrok en komt juist nu op hem toe. Met haar blooten arm om zijn hoofd, haar frissche fijne ovale kopje bijna tegen zijn wang, zegt zij: „Over een paar jaar dan helpt-ie ze ook al maken, hè ? O, hij heb toch zoo’n lekker bekkie, hè ?” Hij houdt niet van boerinnen, hij vindt ze koud en vochtig; hij vindt het vloekbaar dat haar haren, onverzorgd, kortgeknipt onder de zwarte kap worden weggestopt, en vooral vindt hij haar vergroeidheid met het grove werk afschuwelijk.
Maar Hille is slank en wulpsch, en haar overbuiging, met de spanning van al haar vrouwelijkheid tot in haar ranke schouders, beangstigt hem toch. Als zij hem losgelaten heeft, is een benauwenis opgeheven die ook heerlijkheid in hem drong; hij loopt er bevracht mee rond; het is sterker, adembeklemmender en tegelijkertijd opwekken-der dan de zwoele, bindende, neertrekkende geur-greep bij Hanna of de nichtjes, en toch is hij ook bang voor Hilletje en verafschuwt hij haar bijna. Het gras op zijn modderigen grond, twijgen en boomen uit den bongerd als grijpende handen, dragen met de vochtigheid en de opgelegde kracht van hun herfst-ruigte een dikken neerslag in hem aan, die hem zacht en niet zonder bedroefdheid doet zingen. Er hangt een mengseltje doffe mismoedigheid in zijn lichaam. In zijn lichaam, zoo weet hij het.
Hij merkt pas, als hij weer thuis is, dat hij van dat alles moe is geworden; op den terugtocht vindt hij zelfs in den winter geen donkeren weg meer, omdat hij dan later van huis gaat; er is geen angst meer, en hij voelt zich groot. De bruggewachters, een treinmachinist, die in zijn flu-weelen pak naar zijn machine gaat; een politie-agent,
386