Soms, opeens een korte grom, en een plotseling daverend gebrul van een hondenbek uit een schaduw vlak bij, scherp en scheurend door het duister rondom hem, als een rauwe vervloeking van zijn bestaan, door de nachtelijke ruimte herhaald.
Hij schokt saam en schreeuwt; een noodschreeuw, schor en uitzinnig schallend: „Ga je wèg!” zóó met allen inzet van zijn levensnood, dat de gedrochtelijke schaduw zich afwendt en wegspringt; ergens achter een heg hapt een korte grom na. En hij holt ingehouden, den stok afwerend achter langs zijn beenen, den duisteren weg af, die nu overal met op uitschieten wachtende monsters schijnt te dreigen; zijn hart klopt in zijn keel; steeds schieten de kille rillingen door buik en borst, en hij is vol angstige, verbitterde verwensching tegen die levensver-warring, door de nachtelijke wereld om hem heen gezet. Tot eindelijk hij het licht van de stallen van zijn boer ziet, waar hij snel het hek grijpt, of tot de groote langharige bruine Bello hem op den weg tegenkwispclt en hij zich beschermd weet. Eenmaal binnen bij een boer, moet alle gejaagdheid en ook de ontspanning verborgen blijven; hij ziet de knechten en meiden, de boer en de boerin op de deel komen en in den dag tuimelen; een meid legt het vuur onder de schouw aan en hangt den ketel over. Op zijn stoel voorovergebogen starend in de vlammen waar omheen de lijnkoeken worden bijgezet die gaan geuren, herdenkt hij het vreeselijke uur op den weg die achter hem gesloten ligt, met rillingen.
Bij het vuur, in de zware vochtige koeienlucht en onder het blauwen van den ochtend aan de kleine ramen, wikkelt zich de veiligheid om hem heen, en schokken hem de laatste kleine na-huiveringen van het herstel.
Het paard wordt met de oogkleppen op in den karnmolen gespannen; de gierige Harm kletst met hem over de krant. De ziekelijke Dirk, die den hof verzorgt, brengt een paar peren, of noodt hem in den bongerd te gaan. De buitendeuren gaan open, en de rijpe Hilletje begint haar vleiend gepraat, onder het spoelen van de vaten en het wegzetten op het rek aan het achterraam.
Een dikke sfeer van zinnenwerking, een droesem van
385