rug: om half vijf, nuchter, met een stuk stok in zijn hand, het nog slapende huis uit, het nog duistere stadje door, de groote, nachtelijke brug over het donkere water op, en aan den anderen oever van de rivier, den bijna zwarten, zuchtenden boomenweg in, een dikke drie kwartier, naar het gehucht van groote boerderijen, dat nog nauwelijks wakker is als hij aankomt. Altijd weer, eenmaal over de brug, die nog beschermend lijkt, is de heenweg opnieuw beangstigend, en heeft hij de aarzeling te overwinnen om zich in het duister van dien verlaten weg te schuiven, waar de sombere rompen van de boomen en de breed naar voren en omhoog dreigende lichamen van de hofsteden één en al loering schijnen, als scheef verbeten bekken van boosaardigen, waarin de wil tot grijpen zich elk oogenblik op hem storten kan.
Hij slaat met zijn stok in de stilte op het wegdek; daar komt een schaduw; een koude rilling siddert van zijn knieën op door zijn lijf, en de adem stokt door zijn droge keel.
„Moyèèn,” dof.
„Gociemorgen.”
Wat een bevrijding. Snel voort toch, en omzien. En weer de trilling. De stok hard op de steenen, de voeten strak, en met geklemden mond en geknepen vuisten er door heen. Bij eiken hoek: de aarzeling, en het blinde doorzetten; voor mcnschen is hij te banger geworden door een verhaal van Vader, die bij het station over de brug een reeks hamerslagen op metaal had gehoord. Op zijn terugweg was hij een klein brutaal mannetje tegengekomen met een zak, en nu wist hij dat die op het station in den vroegen ochtend kalm de brandkast naar buiten gesleept en geleegd had. Thuis had men met ontsteltenis geluisterd, en al wist Eli nu, dat Vader, na het hooren van een paar hamerslagen, het heele verhaal verzonnen moest hebben, omdat niemand van een inbraak aan het station meer iets gehoord had, het had zijn vrees voor eiken anderen voetstap dan de zijne op den heenweg actiever gemaakt; hij weet te goed dat alle angst gegrond is; hij voelt zich lijfelijk zwak in de wereld, en er is geen bruutheid te denken die niet tegen hem leeft.
384