IN HET GAREEL
heid om zich heen en gevreesd, ’s avonds nog wel
loopt Hartog, met een spanning van heimelijk
naar boven toe om te slapen, Eli is nu toch de eenige jongen thuis. Dat is nu zoo langzaam en onweer-streefbaar gekomen, dat hij, vanaf het kind, vaak misvat, maar door een geheel nest van uit het lichaam barstende levens met stille onderscheiding vertroeteld, nu in vrij korten tijd de zoon thuis is geworden, vader’s hulp in allerlei karweitjes, en in diens nood en behoefte aan kameraadschap in zijn gevecht, bijna steeds als een volwassene bejegend.
Hij moet ’s Zondagsochtends met hem mee het Gewwre-geld innen, en daarvoor de Joodsche school verzuimen; hij haalt een leege handkar bij den verhuurder en rijdt die naar huis; als vader ergens een vracht vandaan moet sleepen, moet Eli hem tegemoet om hem te helpen duwen.
Hij moet een uurtje vodden sorteeren, in pluis-stof en dik-muffen stank; oud ijzer bijeen gooien, hard voorde handen, en balen op de kar helpen sleepen, voor de aflevering; wrakke kasten, roestige fornuizen, gammele tafels helpen sjorren, beschimmelde kleerstukken uitkloppen, voor de markt. En vooral moet hij de meeste ochtenden drie uur vroeger dan andere kinderen uit zijn bed, om voor vader buiten de stad, bij de boeren, de boter voor het hecle jaar, te „kasjren”.
Jankef is het gewend, dat een van zijn jongens het meestentijds waarneemt; hij zelf gaat een enkelen keer, om de verantwoordelijkheid te blijven dragen. Hij wil het niet opgeven om de drie gulden die het hem wekelijksch inbrengt, en niet om de kleine waardigheid en den lang-durigen band met Rabbi Meyer, die het ambtje voor hem gebracht heeft. Zijn handel is hem inspanning genoeg, en hij heeft als vanzelfsprekend, Eli tot zijn hulp gekozen; dat hij nog een kind is, is voor Jankef, die op dien leeftijd al handel moest zoeken, geen bezwaar.
En zoo heeft Eli, als hij om negen uur ’s morgens de school binnengaat, al een spannenden tocht achter den
383