„Geleerd? Onzin. Ben jij dan geleerd?”
„Nou ja. Of knap of weet ik het,” stamelt hij nog maar. (O, ja, wat ontzettend gemeen zijn de menschen. Marcus hoort hier nu echt mee tot de menschen. Hoe valsch is dat; hij gaat naast die vrouw staan, opeens! net precies als de jongens die ’m beentje lichtten toen-ie met hun gemeene vriendje moest vechten en het zou winnen).
In dat wanhoopje, nog:
„Ze zei het: „’IJ weet wel hè?” Het is een stom schijthuis!” (te fel naar zijn eigen zin, in zijn spijtige verwarring door Marcus’ hatelijkheid).
„Wat bedoel je nou? Ik begrijp het niet. Is dat zoo erg? Je moet niet zoo’n verbeelding hebben, jij broekie.” „O, jij alleen maar.” („Ik hèb geen verbeelding,” dat kan er nu niet uit. Waar enkel kwade trouw is, daar zwijgt hij).
„Schoolkind.”
„Koekiesbakker! Kakkiesbakker!”
„Hoor is hier, zeg.” (Marcus zacht). „Ik heb je straks nog je luizen van je kop af moeten kammen, begrijp je? Anders hadden ze je opgevreten. Zèg.”
Buiten staat hij bitter om dat verraad, terwijl Marcus binnen met vader twist over de vrouw. Marcus komt even later de stoep op, een koffertje in zijn hand.
„Nou bonjour hoor. Ik ga. Wel gefeliciteerd hoor. Vader is mal hoor,” zegt hij zwak. „Z’n kindere doen hun best; en hij gooit ons allemaal in de modder. Een schandaal is het gewoon.”
Eli kijkt naar den mond die dat nu weer zwak tot hem
zegt.
Bespottelijk, en laf en valsch, zijn Marcus.
Hij gaat al vroeger weg dus, dan besloten was, Marcus. Boos.
Eli ziet hem na in de straat, nu toch bedroefd. Eén ding is zeker: waarom precies weet hij niet; maar „zij” heeft nog iets heel arms, dat is niet heelemaal onvertrouwd. Serlien, Serlien die Marcus gillerig meeneemt en door wie hij zoo idioot en valsch doet, Serlien is veel erger.
382