niet. Waarom vraag je dat, daar is toch niet over gesproken ?”
„Nee, ik dacht het zoo. Omdat ze zoo zegt: hij weet wel hè?” (Hij heeft moeite, om bij de herhaling van die woorden, haar achterlijke uitspraak en haar onder-danigen toon na te laten).
„Nou ja, die vrouw is geen gestudeerde geletterde vrouw van wetenschap? Moet dat soms?”
„Nee, dat zeg ik toch niet.”
„Allemaal smoes en kletspraat van de grooten, anders niet. En je hebt naar de grooten niet te luisteren,” voegt hij er vriendelijk radend bij, „wantje moet met mij, en straks met haar moet je leven, en de groote jongens die zijn en die blijven in Amsterdam, en niet hier.”
Eli wil zeggen: „Ik heb niets met de grooten”; maar hij zwijgt.
De teleurstelling in Vader’s kinderachtigheid is te groot. Geen zweem erkenning van zijn eigen vermogen om domheid en becstjes-onderworpenheid in die woorden te voelen.
Die ongeschiktheid, dat volslagen gebrek aan omgangs-kunst, waarin hij deels als een professor, deels als een driejarig kind wordt toegesproken! Vader is koppig, er valt niet te praten. Ónmogelijk dat hij het afschuwelijke niet evengoed gemerkt zou hebben.
„In de maneschijn,” kan hij niet laten tot Marcus te zeggen, „heeft vader met de jeugdige prinses gewandeld.” „Wat? In de maneschijn? Je meent het! Hoe weetje dat dan?”
„Hoe ik het weet? Ik moest mee. Ja, er moet toch altijd iemand bij zijn, als iemand met een piepjong meisje ’s avonds rondloopt?”
„Hè hè,” lacht Marcus verheerlijkt. „Heb je gezien? Zij heeft ook maneschijn hè? Op haar kop. Zag je het niet?” „Een beetje, ja. ’ij weet wel hè?”
„Wat: ’ij weet wel hè...”
„Zei ze tegen mij.”
„Tegen jou? nou waarom dan?”
„Dat zei ze zoo grijnzerig tegen me, zeker omdat Ze me zoo geleerd vond of zoo.”
381