verrekt. Heel dat gevoel heeft hij van de allerpijnlijkste meerderheid te zijn, en iets te eerbiedigs tegenover zich te hebben dat tegen hem opziet en dat dien valschen eerbied, die vol wantrouwen is, niet eens verbergen kan. Met dienzelfden grijnslach, dien knik alsof hij, op zijn vierde jaar, een kopje had aangegeven zonder het te breken, die woorden zonder aanleiding in het gesprek en niets dan die woorden, want hij kan geen antwoord vinden en zij gaat dus dadelijk met vader praten:
,,’ij weet wel, hè?”
Zij klinken in het boschje, waar de maan hem, die het maanlicht al kent, de dwaasheid van de idylle belicht, steeds in de ooren nu, als een bevuiling, waaruit zij zich, naast vader loopend, als de jongere vijf-en-dertig jarige vrouw naast den knappen vijftiger, niet meer voor hem schijnt te kunnen redden. Zij niet. En vader?
Van alle kanten beluistert hij en weegt hij die woorden; maar hoe hij zich spant, hij kan er niets goeds in vinden, en niets anders dan wat opjagend steekt. Er is geen vriendelijkheid in, geen moederlijkheid, en geen erkenning. Zij steken en hij kan ze niet kwijt. Als hij, in die gedachte, iets sneller voortloopt dan passend is voor den derde, komt Vader hem achterop. Hij moet even mee terug, goeiendag zeggen.
,,Ga je met Vader naar ’uis? Nou dag jongcn’eer, zal ik maar zeggen ?”
„Hij heet Eli! Eli!”
,,Ik heet Eli.” En zij, even valsc.h zoet:
„Nou, dag Eli dan! Pas maar goed op, hoor.” (Jongenheer. Pas maar goed op hoor!).
Hij grijnst. Geen woord dat gekozen is. Geen beheer-sching om zelfs maar te kiezen. Valsche eerbied. Hij kan de woorden niet vinden. Hij voelt de heele situatie als een diepe pijnlijke onwaardigheid. Vader, als zij getweeën naar huis gaan:
„Beste vrouw? Je hadt niet zoo weg hoeven wandelen, snotverdomme? Rare schwanzmajoor?”
„Je hebt zeker verteld dat ik goed leer op school, of zoo hè?”
„Nou, mag dat soms niet? Dat kan wel ja. Dat weet ik 380