legenheid brengt. Maar het wonderlijkste is toch, dat vader hem dat afschuwelijke oogenblik heeft bezorgd daar in haar huis, dadelijk na het binnenkomen, dat oogenblik van de pijnlijkste kennismaking die hij nog ooit heeft beleefd of mogelijk heeft gedacht.
Dat opgenomen worden door die vrouw die daar met de armen over de borst gekruist zit, in haar te krap zittende, en toch dame-achtige gebloemde japonnetje, en de woorden uit die moeilijk dun-lachenden, aan natuurlijke vriendelijkheid vreemden mond in het dom-vooruitge-stoken hoofd:
„Dat is zeker je jongste zoon, hè?”
Het hoofd steekt vooruit, dat vindt Eli dadelijk mis. Het beteekent te veel moeite om tot spreken te komen. Een dier dat zijn kop naar het eten brengt. En de lach bij de woorden is valsch. Niet valsch van kwaadaardigheid, maar valsch van nederigheid, valsch van schuldgevoel van de mindere te zijn en hem heelemaal niet waardig. Dat weet hij al, eer zij nog gezegd heeft, overdreven aandringend :
„Gaat zitten. Kom ik zal ’s zien of der wat lekkers voor ’m is.” (Aarzelend opstaan).
„Nee, dank U.”
Nee?”
”Nee,'dankU.”
„Een paar lekkere peren? Nee?” Zij schudt het hoofd in dien moeilijk-getrokken lach, bij dien ongeloovig-liggen-den blik naar zijn onbegrepenheid. Niet een paar lekkere peren?” (De schuldige grijns verstart).
„O, ’t is zoo’n buitenmodelsche turfschipper,” zegt vader pleisterend.
Een klein tikje schijnt zij op te knappen. Hij zoekt het er althans in, want anders zou hij moeten wcgloopen. „Vader ook hè? vader is ook buitenmodelsch hè?” Maar de lach naar hem blijft te vèr.
En dan krijgt hij de volle zekerheid. Vader heeft natuurlijk verteld dat hij „goed” kan leeren. Dat hij Rabbi moet worden of nog veel meer. Het is duidelijk aan haar te zien, aan haar alweer niet kwaadaardigen maar enkel dommcn grijnslach, een lach van onmacht omdat zij zich
379