zuiveren héémel zonder een wollekie d’ran! ja, ik was nog niet met m’n eerste vracht thuis, of ik had al meer as vijfentwintig gulden in mijn portemenee. Ja. Had ik een tientje voor betaald! (weer met zijn zoet mondje): — „En is het nou zoo goed, koopman?”
„Ja meneer, nou zal het wel gaan.”
„Nou, dan is het goed koopman.” „En dan wcnschikje,” zegt zij, (hij trekt nu een valsch bekje, in een onbewusten hoon), „véél geluk dermee hóór.” „Maar dat is het niet, wat ik zeggen wou, al is het wel de moeite waard, want dat zijn van die loterijtjes die je zoo in je zak worden ingesmeten; daar is één en al pleizicr an: daar is maar één makke an...”
„Dat ze niet alle dagen gebeuren.”
„Juist. Je moest er tenminste al was het maar elke week één zoo hebben; maar dat heb je niet. Nou. Maar toen ik dan m’n tweede vracht kwam halen toen kwam hij, de student dan, goed sjikker en wel, van zien vrindjes thuis, en zegt zoo pal voor me, ja zoo sjikker dat-ie niet op zien beenen kon staan:
„En w'at zeg jij d’r nou van hè?” en slaat me op de schouders dat het er door heene striemt net of je d’r eene met een spaansch rietje krijgt, zoo’n Goliath van een kerel, een reus? en zegt waggelend, of je het zoo leest: „Ze hebben me deg-ingeluisd, godvegdomme, ze hebben me deg-ingeluisd, is dat geen ploegtestgeek hè ? nou moet ik naag dat got-Indië met die got-boot. En weet je waag-om? om me van dat lieve kind weg te halen, waag ik zooveel van hou, godvegdomme! een ploegtestgeek, godvegdomme!”
„Ja dat ging zóó maar niet vanzellef! hij heeft ternauwernood kunnen uitspreken, want zien vader stond ’m als maar an z’n jas te trekken, eerst zachtjes en toen flink hard ook! maar het sjalf ging door, want het heeft ’m tot hier gezeten! En op het laatst heeft de gooj’m naar binnen gesléépt, net of-ie zal ik maar zeggen een baal vodden was, zoo sleurde ’n ’m de gooj de stoep op en de gang in. Ja. „Ze hebben me deg-ingeluisd!” Maar hier, is dat zoo niet. Want dezen die zijn er nou goed m'/geluisd hier.” „Maar ik ben der wel ingeluisd,” lacht Marcus.
376