DE VROUW KOMT IN HET SPEL
Eerst werden Hanna’s hoofd en het zijne in de achterkamer met petroleum be-stort en ingewreven; toen knipte Marcus, die verstand van haar had, omdat zijn schoonvader kapper was, hun heele hoofdvracht van lokken en doode of stervende luizen op een ook met petroleum begoten krant.
Vader zat er bij en verkocht vrijmoedig grapjes, nu hij begreep, dat het hoog tijd was, en zag dat Marcus het karweitje aandurfde. Hanna huilde eerst omdat zij haar heele meisjes-sieraad kwijt moest; maar Eli boog zich gewillig en grinniklachte bij de grapjes, blij dat Marcus voor dit tooneel zijn meisje had weggestuurd.
„Weg met die kindere! weg met die kindere!” roept Jankef, en vertelt dat hij dat de Parijsche vischwijven had hooren roepen, toen in een drama, „Marie Antoj-nette”, vrouwen met de vorstelijke kinderen voor het schavot kwamen aandragen.
„Weg met die kindere! het is ook een kompleet schavot óók. Ja, jij niet, (tot Eli) jij bent alleen maar een schavuit.”
Eli grinnikt. En vader weer:
„Koopman! dat was meneer meester van Marie, dat wil zeggen, toen was-ie nog student wel te verstaan; nou is-ie een groote man, lid van de tweede kamer van de staten generaal! ja, een beeld van een sjalf, hobo! ’k heb an zien vader meer as tweehonderd gulden verdiend, toen ze naar den Haag zijn gaan verhuizen.” (Nu met een zoet mondje): „Neem maar mee koopman! je geeft maar wat je der voor missen kan, hoor! er moet wat verdiend worden, je moet niét zeggen en ook niet denken: ik heb een beetje teveel betaald, want dat gaat eenvoudig niet.'”
„Ja, gestolen hebben de gojjes (vrouwen) me de boel van de kar bijna, toen ik er mee aankwam; ik was letterlijk nog niet thuis, met m’n eerste vracht, — en het waren er wel drie, zoo’n merakelsch huis vol massematten heb ik er vandaan gehaald. — (Met stijgenden klem) Was een prachtige zomerdag! ik weet het nog of het gister was! ja, flink warm? maar een pracht van een schoonen
375