„Ochjonge, je weet niet watje zegt. (Hanna). Je moeder is dood, en je kunt geen nieuwe krijgen. Hoor.”
„Gekke meid, jij... pest-meid, jij kwijlt altijd, jij. Als vader trouwen gaat, dan wordt dat onze moeder, dat is toch een moeder.”
„Dat is geen moeder, jij hebt geen moeder meer. Hoor! Versta je dat goed? Noem jij ’r moeder?”
„Och stik jij, rotte kwijllip! Jij doet maar met Marcus mee.”
Zij komt dreigend op hem toe, de scheeve onderlip be-beten, den vuist-arm geheven. Hij loopt weg, de straat uit. Naar de brug. Daar blijft hij ontsteld staan: Hartog! Hartog met zijn handen in zijn broekzakken, wijdbeens, maar o, wat afschuwelijk is dat: heelemaal gekleed als een boer, een schoone Zondagsche boer! Zwart bocren-vest met mouwen, een zwart los stukje halfhemdjc aan den hals; zwarte broek, boerentoffcls, en o, zijn Hartog-gezicht onder een hoogc zijen pet! En op zijn frontje zelfs die twee gouen knoopen, die alle boeren dragen als ze in stad zijn.
Eli blijft staan als voor een ontstellend verraad. Hij kan niet spreken of groeten: Hartog! Hij tracht zijn verbazing en teleurstelling te belieerschen, maar staat toch vreemd verlegen. En eindelijk verslagen. Het wordt stil in hem. Hartog! Broertje Hartog: zwarte boer, aan de brug. Durft voor alle anderen, voor hem, daar zoo te staan. Boeren — Hartog.
Nee.
Hartog ziet hem aan, en glimlacht. Maar blijft verder in zijn rol: geen woord of gebaar. Afgescheiden. En de glimlach heeft een spotje. Met zichzelf ook. Maar ook met alles, met alles liefs; ook met het heerlijke; ook met het Geheim.
Terug, Eli, langzaam wijkend, stil, zijn pijn snel verborgen.
En weg weer, slenterend, strompelend, want de beenen toch onzeker.
Nog eens voorzichtig omkijken; een laatste hoop.
Hartog kijkt niet meer. Staat weer, wijdbeens, de handen in de broekzakken, alsof hij boer, op boeren vrije dag, bij
24